Achtste leven

Er is een klein wonder gebeurd. Een week geleden was de misselijkheid tot een zodanig hoogtepunt gestegen, dat ik dacht dat ik erdoor verteerd zou worden. Ik wilde echt helemaal niet meer en toen ik voor de derde keer naar buiten ging om gras te eten, bleek dat ik alles al op had. Het enige wat ik kon gebruiken om een kotspartij op gang te brengen was wat riet dat in diezelfde pot stond. Ik knaagde eraan, wachtte tot de golf supermisselijkheid me zou overspoelen en liep langzaam naar huis, waar mijn vrouwtje het lullige beetje schuim met riet dat zich in mijn maag bevond (aan eten had ik al in geen dagen behoefte gehad) kon opvangen.
Mijn kots was oranje-roze. Er zat dus een beetje bloed in. Ik vond het allemaal best, wilde alleen nog maar slapen en nooit meer wakker worden, maar zij had andere plannen. Ze tilde me op en zette me in mijn reismandje en voor het eerst in mijn leven had ik zelfs niet genoeg puf om me daartegen te verzetten. Ik was te misselijk, te beroerd, voor wat dan ook. Het zou me zelfs niet kunnen schelen als ze me naar de dierenarts bracht om me voor altijd te laten verdwijnen. Niets kon me nog schelen.
We waren snel aan de beurt en de dierenarts prikte ergens aan mijn zijkant, waar het niet zo'n pijn doet en liet me verder met rust, terwijl mijn vrouwtje me liefdevol aaide. Ik had geen idee wat het was wat daar opzij in mijn lichaam druppelde, maar het voelde wel koud aan. Het interesseerde me ook eigenlijk geen moer. Ook die rare, enorme bult die ik voelde toen ze me weer in mijn mandje lieten kon me niet boeien, noch die benen die me zo bekend voorkwamen maar die ik even niet thuis kon brengen toen ik door de kieren in mijn mandje keek, noch de geur van een bange hond, een paar meter verderop. Ik was op en toen ik thuis kwam sleepte ik mezelf naar boven, naar mijn poppenbedje, legde voorzichtig mijn kop op de rand om de misselijkheid daar beneden te houden en sloot mijn ogen.
Die avond, tegen de tijd dat mijn mensen gingen eten, werd ik voor het eerst in weken wakker zonder dat de beroerdheid direct over me heen denderde. Ik wist niet wat me overkwam. Voor de zekerheid liep ik naar beneden, onderweg een aai oogstend van mijn vrouwtje, om te ruiken of de geur van mijn voer me onpasselijk zou maken. Want dat deed het al een tijdje. Ik snuffelde aan mijn bakje: niets! Nou ja, bijna niets, maar zo'n heel klein beetje beroerd vond ik niet zo erg. Ik at een paar happen en besloot buiten van mijn hernieuwde ik te genieten. Met enkele sprongen, die helaas niet zo soepel waren als ik had gehoopt, was ik het hofje uit en liep ik over de daken, genietend van alle geuren waarvan ik nu eens niet kotsmisselijk werd. Ik haalde zelfs even speels uit naar Sam toen ik hem tegenkwam. Dat was een vergissing. Ik was vergeten dat hij geen enkele kat in zijn omgeving duldde. Hij dook op me af en ik kon hem maar met moeite ontwijken, waarna ik het op een lopen zette, dak over, muurtje af, de donkere straat in.
Dat geren putte me meer uit dan ik had gedacht en ik kroop onder een auto om een tijdje uit te rusten. Toen ik wakker werd, zat er een prachtige langharige poes vlak bij me, zich badend in het licht van een straatlantaarn. Ze waste zich met een air alsof ze niet door had dat ik aanwezig was, maar deed wel alle moeite om elke gezonde spier in haar lichaam te spannen. Helemaal top voelde ik me niet, maar zo'n mooie poes was sinds de verdwijning van Sloerie en Brutus niet meer in mijn buurt geweest. Ik liep op haar toe en rook aan haar, zachtjes mauwend. Zij liet het toe, rook ook aan mij, en net toen ik haar een kopje wilde geven, hoorde ik mijn vrouwtje roepen. De poes duwde zich tegen me aan, maar verloor een klein beetje haar evenwicht doordat ik me had omgedraaid om naar mijn vrouwtje te lopen, die nog eens, niet al te hard "Yuri!" riep. Plotseling was de mooie poes allesbehalve vriendelijk. Ze begon minachtend te blazen dat een kat die naar mensen luistert verachtelijk is en draaide zich vervolgens hautain van me af. Ik stond perplex. Dus dat is waarom andere katten mij niet mogen! Zielig voor ze, dat zij niet een mens hebben bij wie ze zich fijn kunnen voelen.
Intussen begon de stem van mijn vrouwtje steeds angstiger te klinken, dus ik liep naar het midden van de straat, waar ze me kon zien. Het lopen ging me na de tocht over de daken wat minder makkelijk af dan eerder op de avond, en ik liet me dan ook zonder morren door haar optillen en naar huis dragen.

De volgende dag werd ik weer in mijn mandje gestopt en naar de dierenarts gebracht. Nu kreeg ik de prik meer in mijn nek, maar de koelte die vervolgens naar binnen stroomde was dezelfde als de dag ervoor. En het wonder werd nog een beetje groter. Die avond voelde ik nog minder misselijkheid, zo weinig zelfs dat ik al mijn avondeten op kon. Ik had zelfs zin in een stukje pannenkoek, maar dat was er niet, of een likje van de vla die de man aan het oplepelen was. Ik ging bij hem op de bank staan, luid knorrend, en gaf hem een paar vriendelijke kopjes, maar hij begreep natuurlijk weer niet wat ik wilde. Na een grote plas op een zowaar schone bak wilde ik naar buiten, maar het regende, dus liep ik naar boven om te kijken of het bij de uitgang van het dakraam misschien wel droog was. Maar die was dicht.
Teleurgesteld mauwde ik naar mijn vrouwtje dat ze hem open moest doen, maar ze weigerde, zei dat het veel te koud was. En dat bleef ze doen, ook de volgende morgen toen de regen ophield en de wolken openbraken, waardoor een lenteachtig zonnetje naar binnen scheen. Waarom mocht ik er niet uit? Ik woonde hier toch al lang genoeg? Ik wist toch wel de weg terug te vinden?
Ze glimlachte liefdevol naar me. Haar fijnste glimlach, die altijd doorbreekt als ze naar me kijkt, hoe boos of chagrijnig ze ook daarvoor keek. En ook de blik van de man was zo. Hij kijkt veel minder vaak op die manier naar me. De laatste keer was jaren geleden. Zij zat op een late avond op de bank, en hij ging er op zijn knieën voor zitten, waarna hij haar hand pakte. Hij vroeg, een beetje verlegen en dronken, of ze met hem wilde trouwen. De spanning in de kamer was om te snijden, niet negatief, maar je voelde wel dat dit een heel belangrijke gebeurtenis was. Mijn vrouwtje zei een trillerig "Ja", en ondanks het feit dat ik de man op dat moment al lang had geaccepteerd, had ik het nog altijd moeilijk als ze heel dicht bij elkaar waren. Kon ik niets aan doen. De jaloezie was sterker dan ik, en bovendien liep ik altijd grote kans op een aai als ze zo knuffelig waren. Dus op het moment dat zij "Ja" zei, sprong ik op de bank en legde ik mijn pootje op hun verstrengelde handen. Dat was het ogenblik dat niet alleen mijn vrouwtje, maar ook de man op die ongelooflijk liefdevolle manier naar me keken. Nog altijd werd dus mijn jaloezie niet bestraft. Sterker nog, nu ik het einde van mijn leven nader, begin ik te denken dat ik mijn straf helemaal zal ontlopen. Of is deze misselijkheid juist de straf? Maar dan zou hij toch blijvend sterk moeten zijn? Terwijl er op het moment nog nauwelijks iets van over is.

Na drie dagen de tocht naar de dierenarts (de derde keer was ik fit en sterk genoeg om me als vanouds flink te verzetten) gemaakt te hebben, vroeg mijn vrouwtje, nog voordat het koude spul mijn lijf indruppelde, of ze "dit" niet thuis kon doen, want het hielp zo goed. De dierenarts betwijfelde of zij het zou kunnen, opperend dat het niet prettig was in je eigen huisdier te prikken, maar ze hield voet bij stuk. Ik was het met haar eens. Dit vocht wat me nu drie dagen was toegediend - een fysiologische zoutoplossing zoals dat ingewikkeld bleek te heten - had me geweldig opgepept. Dus bleef ik geduldig en stil zitten, terwijl ze op aanwijzing van de dierenarts onhandig mijn vel pakte, optilde en de naald erin stak. Het deed niet meer pijn dan wanneer de dierenarts zelf het deed, dus ik had er vrede mee. Misschien zou ik me wel nooit meer zo kotsmisselijk hoeven voelen. En het enige wat daarvoor nodig was, was een klein prikje per dag en tien minuten geduld. Dacht ik.
De eerste dag dat ze het thuis deed had ik niet door wat er stond te gebeuren, en een naald in je nekvel is erger als je niet weet dat hij komt. Mijn vrouwtje zette me op tafel, wat toch altijd al een voorbode is van iets onaangenaams, friemelde iets op mijn rug wat verdacht veel leek op het gevoel dat het tuigje me vroeger had gegeven, en wist me net op tijd tegen te houden toen ik een reuzensprong wou nemen, de tafel af. Enkele tellen later voelde ik ineens een pijnlijke steek en voor ik me kon realiseren wat het was ging ik ervandoor, waarbij de naald soepel uit mijn vel gleed. Mijn vrouwtje deed boos, maar ook machteloos en ze huilde bijna toen ze me opnieuw op de tafel zette. Ze hield haar been voor mijn kop om het me moeilijker te maken weg te springen, maar nu wist is wel wat komen ging, dus hield ik me rustig. Een kwartier later stond ik weer op de grond, met zo'n rare bobbel in mijn nek.
Vanaf die dag hield de man me vast als ze ging prikken, en dat was nodig ook, want het werd steeds pijnlijker en ik had er geen zin meer in. De huid in mijn nek was gewoon beurs. Kennelijk begreep mijn vrouwtje dat, want op een gegeven moment pakte ze een stuk huid meer naar achteren en een beetje aan de zijkant. Het voelde daar niet zo veilig en ik zette me schrap. Terecht. Deze prik deed echt pijn. Ik tilde mijn kop op en keek haar aan, met zo veel mogelijk lijden in mijn blik, maar ze wilde me niet loslaten. Vanaf die sessie had ik het helemaal gehad met het toedienen van het vocht. Toegegeven, ik voelde me prettiger, maar dood ging ik toch en dan toch liever zonder deze gemeen stekende pijn. Toen ze me eindelijk losliet vluchtte ik snel mijn doos in en likte ik aan de wond. Ik proefde bloed! Nu zag ik ook dat grote druppels bloed in mijn doos druppelden en op de vloer, waar ik had gelopen, lagen ze ook. Nee, ik wil niet meer geprikt worden, ook niet door de man die de klus heeft overgenomen, terwijl zij me vasthoudt. Ook hij heeft al eens mis geprikt. Dus als ik haar nu in de weer zie met naalden en flessen zoutoplossing, spring ik snel in mijn magische doos. Daar ben ik veilig, dozen zijn altijd veilig geweest. Daar kunnen ze me niets doen.
Helaas vergeet ik altijd na een minuut of wat waarom ik daar ook alweer zat. Meestal omdat ze voer voor me neerzet dat lekker ruikt, of omdat ik ineens moet plassen, of even wil kijken of buiten er nog is. En dan doen ze het weer. Het enige voordeel is dat het niet meer zo koud is. Ze leggen de flessen eerst in warm water, waardoor ik behalve de prik eigenlijk nooit meer iets voel. "Mijn flesje warm maken," noemt ze dat. Het nare is wel dat het feit dat ik het niet meer voel, ook weer op mijn vergeetachtigheid inspeelt. Dan zit ik op het aanrecht (ze dienen me het vocht nu daar toe) en na een tijdje vind ik dat ik een andere houding wil aannemen, of wil ik op de arm van mijn vrouwtje hangen, maar ze probeert me dan steeds tegen te houden. Pas dan schiet me dan weer te binnen waarom ik daar eigenlijk zat en wil ik weg.

Het enige wat helpt om te voorkomen dat ze gaan prikken, is ze afleiden. Dus als mijn vrouwtje en ik naar de wc gaan en de man een vork onder de deur door steekt en beweegt, doe ik er alles aan om dat ding te vangen. Of als ze 's avonds naar bed gaan, ga ik in jachthouding op de bank liggen, net zolang tot een van de twee met me met de jojo gaat spelen, of met mijn balletje. Of had ik toen het vocht al gehad? Ik begin moeite te krijgen met tijdstippen, net alsof ze stiekem langs me heen glippen. En met plaatsen. Gisteren was ik op de daken en toen ik naar binnen wilde, bleek het dakraam dicht. Ze hadden me buiten gesloten! Ik moest een hele tijd in de goot wachten tot ze boven kwamen en ik aan het raam kon tikken, zodat ze me binnen konden laten. En dat was niet de eerste keer. Pas nu realiseer ik me dat ik ook het hofje in had kunnen springen. Mijn luikje was vast niet dicht geweest.

© Aglaia Bouma