Derde levenSinds we bij de dierenarts zijn geweest krijg ik elke maaltijd iets anders, dat elke maaltijd onveranderlijk smerig smaakt. Twee soorten voer ruiken op zijn minst nog een beetje aangenaam, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Ik ben geen moeilijke eter, echt niet, zelfs het Aldivoer waarop mijn vrouwtje op een dag ineens overstapte heb ik zonder al te veel gemopper naar binnen gewerkt, maar dit nieuwe goedje is echt niet te vreten. Na een paar dagen steeds iets anders, kreeg ik op een gegeven moment alleen nog maar een van de twee waarvan de geur nog wel ging, maar iedere dag dezelfde smakeloze troep helpt mijn toch al niet denderende eetlust niet echt. Elke keer als ik langs mijn bakjes loop in de hoop dat er nu weer wat lekkers in zit, zet mijn vrouwtje me zo'n beetje met mijn neus in die smurrie en zegt ze: "Dat is goed voor je." Dus eet ik twee happen om haar te plezieren. Ik vind het nogal vaag allemaal. Ik weet zeker dat ik helemaal niet dik ben, maar dit voer schijnt een dieet te zijn. Nou goed, als ik dan moet afvallen, kan ik toch beter helemaal niets eten? Waarom blijft ze dan zaniken dat ik die drek moet nemen?Gisteren heb ik een muis gevangen, een beetje een ielig exemplaar, maar het was wel een muis. Trots besloot ik hem eerst te gaan laten zien voor ik hem doodmaakte en lekker vers zou kunnen oppeuzelen. Dus nam ik hem mee naar binnen, zwaar roepend dat ze moesten komen kijken wat ik nu weer had gevangen (nou ja, nu weer... de laatste jaren ben ik niet zo'n jager). Mijn vrouwtje beloonde me met kirrende woordjes en een hoop geaai, waarop ik me even liet gaan in de vrijpartij en de muis tijdelijk op de grond deponeerde. Mijn prooi zag zijn kans schoon, zette het op een lopen, en ik was genoodzaakt de aaiende hand even te laten voor wat hij was om te voorkomen dat het kleine kreng zich ergens onder of achter zou verschansen. Hebbes! Dit kleine spelletje pakkertje viel bij mijn vrouwtje helaas niet in goede aarde. "Oh, hij leeft nog!" riep ze geschrokken uit, waarna ze me oppakte en met prooi en al buiten de deur zetten. Sentimentele tuthola. Ik speelde wat met de muis, krijgertje. Toen hij nauwelijks nog reageerde en ik rook dat mijn vrouwtje zich weer achter haar computer had verschanst, sloop ik met mijn prooi weer naar binnen, in de hoop dat ik hem snel naar boven kon smokkelen. Helaas! Ik werd direct gezien. Met alle onschuld die ik kon veinzen liet ik me een beetje op mijn zij vallen, de halfdode muis tussen mijn poten en gaf er wat tikjes tegen om te laten zien dat ik echt heus alleen maar een beetje met hem wilde spelen. Ik wilde hem niet opeten! Ik was toch op dieet? Ze geloofden me niet. De man pakte me bij mijn nekvel, misbruik makend van het feit dat ik dan compleet hulpeloos ben, en pakte mijn prooi van me af. Buiten hoorde ik het kraken van een schedeltje en daarna rook ik het lijkje onbereikbaar in de afvalbak. De bruut. Toen ik jong was en we in die flat woonden ving ik veel vaker muizen. Meestal 's nachts. Ik had toen niet de behoefte ze op te eten en bracht ze naar het bed van mijn vrouwtje, zodat ze 's ochtends een lekker hapje zou hebben. Mensen kunnen namelijk geen muizen vangen, daar zijn ze te dom voor. Die flat werd heel langzaam maar zeker ons thuis. Eerst was er alleen die betonnen vloer en een bed die nog weken naar de schuur van de bacteriefoob rook, maar langzaam maar zeker onze eigen geur kreeg. Toen kwamen vloerbedekking, een bureau en een computer. Later kregen we een bank en een heel lekkere stoel die naar vreemden roken. De bank heb ik me heel snel eigen gemaakt met een goed gemikt plasje, de rest van de spullen gunde ik de tijd om in alle rust ons bezit te worden. Er kwamen ook mannen. De een kwam een paar weken achter elkaar langs, de ander hield het nog geen dag vol, en een derde kwam over een langere periode heel af en toe bij ons slapen. Ze waren allemaal niet echt een bedreiging. Het huis was van mij en mijn vrouwtje en dat er af en toe iemand kwam bivakkeren was niet zo heel erg. Wat ik minder leuk vond is dat wij soms ook ergens gingen slapen. Dan kwamen we in zo'n vreemd huis, waar het rook naar hond. Mijn vrouwtje vulde de onderkant van mijn reismandje met grind en zette me er dan even op, alsof ik niet kon ruiken waar ik moest poepen. Daarna zette ze mijn voer- en drinkbakjes naast de geïmproviseerde kattenbak en kon ik het huis verkennen. Niet één hond ontdekte ik daar, maar twee: een kleine en een hele grote. Ik besloot direct te laten zien dat er met mij niet te spotten viel, en liep op het bakbeest af, dat zijn enorme kwijlbek naar beneden bewoog om me te ruiken. Ik haalde ernaar uit en de sul droop jankend af. Helaas begreep het kleine exemplaar de boodschap niet meteen. Honden zijn nog dommer dan mensen. Dus ook die moest ik met een flinke krab laten zien wie hier de baas was. De man die van de honden was kon mijn gedrag niet waarderen en zeurde erover tegen mijn vrouwtje, die me oppakte en geruststellend knuffelde. Zij houdt ook niet van honden en kon zich zo gniffelend in mijn vacht verstoppen. Die relatie duurde dan ook niet lang. Ik heb hem nog een keer bij ons thuis gezien en daarna nooit meer. Mijn vrouwtje was echt van mij en ik beloonde haar door haar zo veel mogelijk te vergezellen. Als ze boodschappen ging doen liep ik gezellig met haar mee. De winkel zelf wilde ik niet in met al die benen die alle kanten op gingen en, erger nog, met allerlei wielen die zomaar naar links en rechts zwenkten. Dus bleef ik rustig op haar wachten tot ze weer naar buiten kwam met een grote tas waarin ongetwijfeld allerlei lekkernijen voor mij waren gestopt omdat ik haar had vergezeld. Alleen als er honden waren bleef ik niet. De meesten werden wel aan een lijn vastgezet, maar ik wilde niet in het openbaar gezien worden in de buurt van die beesten. Een kat heeft ook zijn trots. Op een dag liep ik weer met haar mee, meer uit gewoonte dan omdat ik er echt zin in had, en ik was ook een beetje slaperig, maar je moet wat voor je mens over hebben. Halverwege, waar ze linksaf moest, ging ze ineens de andere kant op. Ik bleef staan, een beetje in de war, en het viel me toen pas op dat ze helemaal geen boodschappentas bij zich had. Mijn vrouwtje draaide zich om, glimlachte naar me. Wilde ze niet dat ik meeging? Ze zou toch niet voor altijd weggaan? Ik deed nog een paar stappen, maar betrad nu terrein dat ik nooit eerder had onderzocht en met zo'n duffe kop als ik op dat moment had, durfde ik het niet goed aan. Mijn vrouwtje keek nog eens glimlachend om, zei "Tot straks!" en liep toen verder, terwijl ik me omdraaide en terugging naar huis om een tukje te doen. Toen ik wakker werd was ze er weer, dus liep ik naar haar toe om goedemiddag te zeggen. Ik duwde mijn kop onder haar hand en rook... nee, dat kon niet! Ze rook naar hém! Een zachte huivering trok door mijn vel en voor ik het wist duwde ik mijn geurklieren nog enthousiaster tegen haar hand dan anders. Ik moest zijn geur weg hebben, kon er niet tegen, wilde vergeten. Vergeten... daar heb ik nu geen enkele moeite meer mee. Op dit moment heb ik weer zo'n irritant lichte tinteling in mijn kop. Ik heb een tijdje in mijn doos zitten staren in de hoop dat het me weer te binnen wilde schieten. Misschien wilde ik gaan eten, was dat het? Bij het naderen van mijn bakjes rook ik het al: nog steeds dat gore dieet. Ik liet het links liggen en ging aan wat brokjes zitten knagen. Die smaken ook anders dan die ik vroeger had, maar ze gaan nog wel. Ze hebben een beetje de weeïge smaak van jonge spreeuwen, weinig opwindend als je het eenmaal proeft, maar oh zo spannend om te proberen ze te vangen. Voor de flat waar we woonden was een groot grasveld met één eenzame boom. Daarin bevond zich een nest, op grote hoogte, en ik heb er lange ochtenden over gedaan om te proberen erin te klimmen en die piepende kuikens te pakken te krijgen. Lukken deed dat niet. Ik kreeg te weinig grip op de stam en toen ik eenmaal met veel pijn en moeite een behoorlijke hoogte had bereikt, werden de volwassen spreeuwen bang en begonnen ze ontzettend irritant krijsend om me heen te fladderen, waardoor ik ging proberen hen te pakken te krijgen en tijdens mijn verwoede pogingen langzaam maar zeker weer naar beneden gleed. Jaren later kwam ik erachter dat jonge spreeuwen op een heel andere, en eenvoudiger, manier te pakken zijn te krijgen. Toen mijn maag door die brokjes niet helemaal luchtledig meer aanvoelde wilde ik even naar buiten, maar daar aangekomen bleek het behoorlijk te regenen. Ik vluchtte naar de tafel op het plaatsje en ging eronder zitten schuilen tot het zou ophouden. Maar dat gebeurde natuurlijk niet, en na een tijdje begon ik het koud te krijgen. Op een holletje rende ik naar mijn luikje, waarachter mijn vrouwtje, mijn mannetje en de warmte zich bevonden. Ik klaagde dat ik helemaal nat was, vroeg of ze die regen niet konden uitdoen. Niet dat ze deze wens ooit hebben ingewilligd, maar vragen staat vrij, nietwaar? Mijn vrouwtje stond op en ik kreeg een zachte handdoek op mijn rug, waarmee ze me helemaal lekker afdroogde, met strelende, lieve bewegingen. Wat een genot! Ik spinde, bolde mijn rug, zette mijn staart op, ging er nog eens even helemaal voor staan, maar toen hield ze ineens op. Ik was droog, maar dat betekent dan toch niet dat ik al ben uitgeknuffeld? Terwijl mijn vrouwtje zich weer achter haar computer installeerde, rende ik weer naar buiten, naar de tafel en weer terug. Kon ze me mooi opnieuw afdrogen. Tegenwoordig heb ik eigen handdoekjes, eentje beneden en eentje boven. Vroeger was dat wel anders. Toen wilde mijn vrouwtje me alleen maar afdrogen met oude, vieze handdoeken en soms pakte ze er zelfs een van de man bij wie we met enige regelmaat gingen slapen. Hij, en dus ook zijn handdoeken, roken heel sterk. Geen onaangename geur, maar wel een die overweldigde. Dichterbij dan een meter of zo kon ik niet zijn. Ik heb nooit begrepen dat mijn vrouwtje daar wel tegen kon. Het positieve is dan wel weer dat ik op hem eigenlijk nooit jaloers ben geweest. Ik wist gewoon dat ik duizendmaal lekkerder rook dan hij, dus uiteindelijk zou ze voor mij kiezen. Helaas duurde het een tijdje voordat zij daarachter kwam, met als gevolg dat ik keer op keer in zijn busje werd gezet om een paar dagen in zijn huis door te brengen. Die reis duurde elke keer eeuwen en op een gegeven moment had ik daar schoon genoeg van. Ik ben nooit moeilijk geweest, maar steeds maar weer urenlang in dat rotmandje zitten, zonder eten, zonder drinken en met een grote plas in mijn blaas is geen pretje. Dus ben ik gaan protesteren. Ik liet me niet meer gewillig in het reismandje proppen en als mijn vrouwtje me er met vereende krachten dan toch had ingewurmd, zette ik het op een luid klagen waarmee ik pas weer ophield als ik, na de lange rit, werd vrijgelaten. Uiteindelijk heeft mijn verzet ertoe geleid dat mijn vrouwtje meer in de buurt van die man ging wonen, zodat ik niet elke keer mee hoefde. Nog één keer ondernamen we die lange, lange reis, nu met het busje vol met onze spullen en mijn eigen thuiskattenbak. Halverwege realiseerde ik me pas dat ik nu voorgoed ver weg zou zijn van mijn broertje. Dat was goed. Misschien zou de herinnering aan wat ik heb gedaan dan makkelijker slijten. |