De diagnoseVandaag heb ik gehoord dat ik stervende ben. "Chronische nierinsufficiëntie, een progressieve en uiteindelijk dodelijke kwaal," zei de dierenarts. Mijn vrouwtje, die me nog wat steviger tegen zich aan trok, slikte een paar keer. Ik ken haar zo langzamerhand - ze wil niet huilen bij vreemden, ook niet als ze dit soort verschrikkelijk nieuws hoort. Trut.Ik keek naar haar en zag daardoor niet dat dat wijf in die witte jas met een spuit op me af kwam en het ding zonder omhaal in mijn bil jaste. Ik deed zoals mijn vrouwtje, vocht tegen de vluchtreactie en bleef zo stil mogelijk zitten. Zodra de naald mijn bil had verlaten werd mijn reismandje geopend. Ik bedacht me geen moment en sprong mezelf naar de veiligheid. Gek dat dat ding in de kamer van de dierenarts altijd net zo uitnodigend is als angstaanjagend wanneer ik hem thuis zie staan. Terwijl ik dat gebouw met die overvloed aan geuren van angst, agressie en andere beesten uit werd gedragen, liet ik luid en duidelijk mijn ontstemdheid over het hele gebeuren horen, maar meer dan wat sussende woorden kreeg ik niet. Mijn vrouwtje zette me in de auto en toen ik door de kieren keek, zag ik dat ze nu dan toch eindelijk tranen in haar ogen had. Nauwelijks een geschikte gemoedstoestand om te gaan rijden zou je zeggen, maar zij haalde haar neus op en startte de motor. Ik uitte een waarschuwende mauw terwijl ze de auto in beweging zette. En direct weer stopte, toen een luid getoeter ons passeerde. Diep weggekropen in mijn reismand, klaar om botsingen op te vangen, hield ik mijn bek verder. Ze kon zich beter op het verkeer richten dan op mij. Pas toen ik me in de veilige lucht van thuis bevond, merkte ik wat een enorme honger ik had. Ik negeerde de mensen die met lokkende klanken probeerden mijn aandacht en genegenheid te winnen - zij zijn het immers die mij met enige regelmaat naar de dierenarts brengen, en dat gedrag moet je niet belonen - en zette het op een schransen. Mijn vrouwtje stond inmiddels te snikken tegen de trui van de man en bleef maar proberen me te aaien. Rot toch op, mens! Ik vluchtte naar buiten, waar ik een hoekje zocht om eens even goed en diep te kunnen nadenken. Een dodelijke kwaal. Ik ga dood. En er was nog iets, maar daar kon ik even niet opkomen. Ik heb daar een hele tijd gezeten, nadenkend, de geluiden en geuren uit de buurt negerend, zelfs niet gereageerd toen die grijze dikzak weer eens kwam proberen of ik uit de tent te lokken was. Er was iets belangrijks te overpeinzen en ik wist, voelde, dat ik er bijna was. De grijze liep om me heen, zodat hij binnen directe zicht- en reukafstand kwam, maar ik draaide me om. En toen wist ik het ineens: ik ben al sinds mijn geboorte bezig met sterven, dus dat is helemaal niet iets om je zo over op te winden. Leven is nou eenmaal een ongeneeslijke, dodelijke ziekte. Met een zucht van verlichting ging ik terug naar binnen. In het voorbijgaan haalde ik uit naar die vetbuil. Mijn vrouwtje had haar tranen gedroogd en zat te rammelen op haar toetsenbord. Ik was bekaf, wilde gaan slapen, maar besloot haar eerst te laten weten dat ik haar vergeven had voor... ja, wat eigenlijk? Het was me alweer ontschoten. Dan kon het ook niet belangrijk geweest zijn. Haar ogen schoten vol water toen ik me oprichtte aan de leuning van haar bureaustoel en tegen haar arm tikte. Ze aaide mijn kop en liet me mijn geur op haar handen smeren. Míjn geur, míjn vrouwtje. Ik wou dat die mensenman dat nou eens begreep. Hij doet altijd maar alsof ze alleen van hem is en zij laat dat nog toe ook. En ik kan niet anders dan hem maar tolereren. Hij is misschien mijn straf voor wat ik toen, in mijn jonge jaren, mijn eerste leven, heb gedaan, die ene grote schaamteloze actie, die mijn leven voorgoed veranderde. Na een stevige dut had ik verschrikkelijke dorst, dus ging ik naar beneden waar mijn waterbakje stond. Leeg. Natuurlijk, dat had ik vanochtend allemaal opgedronken. Geen nood. Op tafel stond een schaal waarin kaarsen dreven. Soms is ook die leeg, maar dan kan ik altijd nog de bekers naast het bed opzoeken. Ik dronk, sprong weer van de tafel en liep naar mijn vrouwtje, die me een aai gaf. En toen een druif. Een vieze, stinkende druif. Het was toch niet de bedoeling dat ik dat ding zou opeten? Ik keek mijn vrouwtje niet begrijpend aan en zij glimlachte haar speciale glimlach, waarna ze de druif een tikje gaf zodat hij ging rollen. Gelukkig, ze wilde alleen maar met me spelen! Ik tikte het ding terug en hij rolde een centimeter of wat naar haar toe, maar kwam al heel snel tot stilstand. Mijn balletje rolt veel beter. Waar zou dat ding zich eigenlijk verstopt hebben? Mijn vrouwtje gaf de druif een nieuw zetje en hij rolde nu naar het midden van de kamer. Toen draaide ze zich om naar haar computer. Wat hebben mensen toch een eng korte aandachtsspanne. Langer dan een minuut of wat kunnen ze niet eens spelen. Ik moest mezelf maar weer vermaken, en dat met zo'n stomme druif. Zo ontspannen mogelijk ging ik ernaast zitten, de andere kant opkijkend, terwijl ik met een voorpoot in de richting van dat ding bewoog, heel snel. Toen ik vervolgens weer naar de druif keek, zag ik hem ineens bewegen! Met één sprong had ik hem gevangen. Te makkelijk. Ik probeerde het nog een paar keer, zette wat meer kracht, maar het ding wilde gewoon niet goed rollen, en toen ik hem ook nog stuk had gekrabd en de gore smaak van het sap zich in mijn bek boorde, gaf ik het op. Lief dat mijn vrouwtje me een speeltje gunde, maar ze kon beter mijn balletje gaan zoeken. Of de jojo pakken, en dan met het touwtje zo bewegen dat hij precies lijkt op een muizenstaart. Helaas zat ze weer naar dat scherm te staren met dat ding in haar hand die ze een muis noemt, terwijl het helemaal geen muis is. Veel te groot. Ruikt ook heel anders. Mensen en taal, dat is toch een rare combinatie. Ze gebruiken zo ontzettend veel verschillende woorden dat ik er jaren over heb gedaan ze te leren begrijpen, maar van al mijn mauwen verstaan ze er hooguit zeven, en dan tel ik mijn klaagmauw niet mee, want die wordt nogal eens verward met mijn mededeling dat ik moet poepen. Misschien moet ik mijn verzoek om die "muis" eens met rust te laten ook niet meetellen. Soms begrijpt ze het, rolt ze haar stoel wat naar achteren zodat ik op schoot kan springen, maar er zijn ook momenten, zoals daarnet nog, dat ze er niets van snapt. Ze stond op en zette me voor mijn bakje, waarvan de lucht van voer weer eens een golf misselijkheid opwekte. Dus mauwde ik nog een keer, waarop ze me opnieuw voor mijn bakje zette. Lichtelijk geïrriteerd nam ik een klein hapje om haar tevreden te stellen, merkte ineens dat het vreemd smaakte, maar wilde me daardoor niet van de wijs laten brengen. Ik had het te druk mijn vrouwtje duidelijk te maken dat ik haar onverdeelde aandacht wilde. Want dat kostte nogal wat moeite. Nog zeker zes keer heeft ze me stompzinnig voor mijn bakje gezet, alsof ik die zelf niet kan vinden. De laatste paar keer duwde ze me er zowat met mijn neus in, waarbij ik bemerkte dat het voer ook vreemd rook, maar ik hield vol. Mensen moet je trainen. Uiteindelijk tilde ze me op en knuffelde ze me, heen en weer lopend door de kamer. Het was gelukt! Vroeger wilde ik niet opgetild worden. Ik vertrouwde het gewoon niet als ik mijn eigen poten niet op de grond had. Vroeger wilde ik wel meer niet. Ik vond het heel naar als ik ergens anders dan op mijn kop geaaid werd, met als vreselijk dieptepunt de neiging van mensen me op mijn kwetsbare buik te willen aaien. Dat vind ik overigens nog steeds zelden prettig. Alleen als mijn vrouwtje het doet, kan ik er even tegen, maar zij streelt dan ook heel zachtjes en dan voelt het niet zo naar. Maar haar heb ik dan ook opgevoed. Als ze het goed deed, dan mocht ze wat meer, me optillen bijvoorbeeld. In het begin alleen maar heel even, mits ze niet bewoog. Na een tijdje liet ik haar voorzichtig heen en weer lopen. Alleen toen ze me de trap op wilde dragen vond ik het echt niet leuk meer. Met hun lompheid stommelen mensen zo ongecoördineerd over de treden dat ik ineens zeker wist dat ze me toch zou laten vallen. Met alle kracht die ik in me had, sprong ik uit haar armen, waarbij ik nog net de rand van de vloer van de eerste verdieping kon grijpen en me kon optrekken. Vrouwtje in paniek natuurlijk, maar ik had liever dat ze zelf voorzichtig die trap beklom. Zij is immers veel onhandiger dan ik. |