Negende leven

Dit is mijn straf. Straf voor mijn eeuwige jaloezie. De misselijkheid is nu het kotsen voorbij. Wat over is, is een voortdurende neiging tot kokhalzen. Ik had aan het eind van mijn eerste leven mijn broertje moeten laten gaan. Maar nee. Ik moest me er natuurlijk weer mee bemoeien. Ze kwam hém halen, mijn vrouwtje. Hij was ook liever dan ik. Altijd als hij geaaid werd, ging ik met hem vechten. Ik was gemeen tegen hem. Hij was bang voor me. En daarom ging hij ook niet direct naar het nieuwe vrouwtje toe. Maar ik wel. En ik werd geaaid. En ik mocht met haar mee. Ik liet hem in de steek. En dit is mijn straf. Alles wat ik tussen de beroerdheid door zie is vreemd. Bijna alles. Die doos, die is goed. En die schoot waarboven die lieve woordjes worden gepreveld. Als ik wil mauwen wordt de misselijkheid alleen maar erger. Ik moet op bed gaan liggen. Dat grote? Had ik er niet een voor mijn eigen maat? Ik wil wel slapen, maar ik voel me er niet goed genoeg voor. Er hangt iets dreigends in de lucht, maar ik weet niet wat het is.
Ze lopen weer rond met die fles, dus ik vlucht naar boven, voorzichtig, niet te veel schudden met mijn lichaam. Nu is de fles ook boven. Wat doet die hier? Dat ding is altijd beneden. Als ik dan snel ben, kan ik hem dan nog net ontwijken door in de doos te springen. Maar hier is geen doos. Wel die fles. En die schoot. En een prik. Ik zit stil, in de hoop dat de misselijkheid wat zakt, maar eigenlijk weet ik wel dat dat niet zal gebeuren. Want dit is mijn straf.
Vanmorgen, toen mijn vrouwtje wakker werd, moest ze huilen. Ik wilde bij haar liggen, deed dat ook even, maar toen werd ik nog beroerder. Voor straf, want eigenlijk had zij mijn vrouwtje niet moeten zijn. Misschien dat het op de bank minder erg was, hoopte ik nog, maar die rook ineens vreemd. Alles ziet er ook vreemd uit. Ik ben bang.

Gisteravond kreeg ik van de man ineens een likje slagroom. Ik heb er goed aan geroken, want soms doen ze er iets in, al weet ik niet meer wat, maar het was heuse pure slagroom. Ik heb het opgelikt, maar echt genieten kon ik er niet van. Ze hadden me dat vroeger moeten geven, toen ik nog niet ziek was, net als die stukjes kip waar mijn vrouwtje daarstraks mee kwam aanzetten. Ik lag te proberen te slapen toen ze ineens zachtjes een rolgordijn optrok en me zo'n stukje vlees voorhield. De geur alleen al maakte me nog misselijker dan ik al was, maar ze hield aan. Ik verloor. Ik at het op om haar een plezier te doen, maar toen mijn maag zich nu helemaal leek om te draaien moest ik het volgende stukje wel weigeren.

Buiten is het koud, maar ook dat helpt niet meer. Ik heb geprobeerd in de goot te zitten, mijn poten diep in de derrie, maar daarvan gaat het dakraam niet open. Je moet wachten tot het licht erachter aangaat, tot je ze beter kunt zien, en dan tikken. Ik ga maar niet meer naar buiten. Het is te koud. Ik plas wel in mijn bak. Ik begrijp alleen niet waarom die zo stinkt. Ik kan gewoon niet meer. Waarom ga ik nou niet gewoon dood? Dat zou toch gebeuren? Ben ik nog niet genoeg gestraft nu?

Die stoel met de geur van de man, die is ook veilig. Als hij er niet op zit. Maar als ik daar een tijdje lig, begin ik me ook weer rot te voelen. Er staan poten in de kamer, met een tafelblad erop en als ik daarop terecht kom gebeurt er iets naars, al weet ik niet meer wat. Die schoot dan maar. Die ruikt vertrouwd. Ik word geaaid en er valt water op mijn vacht, regen, maar ik kan niet de energie opbrengen om hier weg te gaan. Slapen moet ik. Ik leun zwaar op de arm die me niet aait, die me met rust laat. Toch maar weer even die stoel proberen. Wat komt er een afschuwelijke geur uit dat bakje! Wat is dat voor viezigheid? Die stoel houdt me precies tien minuten. Dan moet ik eraf. Er is iets aan de hand, maar ik mag niet weg. Hé, een doos! Die lijkt wel magisch. Kan ik precies in liggen en dan ben ik veilig. Hij ruikt in elk geval veilig. En daarboven is een schoot. Als ik tegen de stoel rechtop ga staan en twee keer op de arm tik, mag ik erbij. Maar ik wil niet springen. Onverwachte bewegingen maken me nog misselijker. Iemand tilt me op. Ze ruikt vertrouwd en fluistert tegen me. Wat zegt ze? Morgen laat ze de dierenarts komen, voor een prik. Maar ik wil geen prikken meer. Ik hoef niet meer een kortstondige energieboost. Ik ben er te beroerd voor. Nu zegt ze iets over slapen. Dat ik dan niet meer misselijk ben. Ik probeer instemmend te spinnen, druk mijn neus tegen het gezicht dat ik van mijn broertje heb gestolen.
Niet meer misselijk. Dat lijkt me wel wat. Dat wil ik. Slapen.

© Aglaia Bouma