Tweede leven

Geen idee hoe het komt, maar voor het eerst sinds maanden is de misselijkheid een beetje teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau. Nog wonderlijker is het feit dat ik me gewoon fit en sterk voel, jong zelfs. Ik geloof niet dat ik me zo heb gevoeld sinds ik een jaar of vier was.
Vanmiddag toen ik wakker werd, was dat ineens zo. Eerst had ik het nog niet zo door, slaperig als ik was. Maar toen ik ging kijken of buiten er nog was, en en passant controleerde of er geen vreemdelingen in mijn territorium waren geweest, was het alsof ik ineens alle spiermassa terugkreeg die de laatste tijd langzaam maar zeker was verschrompeld.
Ik zette een paar voorzichtige passen, waagde een huppeltje en toen ik die dove buurkat in het vizier kreeg, besloot ik hem eens flink te laten schrikken. Ik nam een aanloopje en landde vrolijk op zijn staart. Hij had me niet horen aankomen natuurlijk en had met zijn rug naar me toe gezeten. Hij vloog wel een halve meter omhoog, krijste gemeen en haalde tijdens de landing met beide voorpoten naar me uit. Ik kon hem, dankzij mijn hernieuwde fitheid waarschijnlijk, maar net ontwijken. Met een speels tikje op zijn oor probeerde ik duidelijk te maken dat ik helemaal geen kwaad in de zin had, maar, zoals gewoonlijk, wilde hij niets van me weten.
Waarom andere katten zo'n hekel aan me hebben is me een raadsel. Als er een paar bij elkaar zitten en ik kom erbij, moeten ze ineens allemaal hoognodig naar huis. En als er gespeeld wordt is het altijd onder elkaar. Wil ik eens meedoen, dan wordt het spontaan echt vechten. Zelfs die kleine zwarte Boris moet me niet. En ik heb toch altijd alleen maar aardig tegen haar gedaan! Soms wou ik dat Sloerie hier nog woonde, ook al zou dat betekenen dat Brutus hier ook alsmaar rond beende. Maar daar zal ik later over vertellen. Laat ik beginnen met vertellen over mijn jonge jaren, toen ik net bij mijn vrouwtje moest gaan wonen omdat ik.... Eh, nou ja, toen ik dus net bij mijn vrouwtje was komen wonen. Ze had toen een andere mensenman, eentje die ik vanaf het eerste moment niet kon luchten of zien. Wat ik ook deed om ervoor te zorgen dat ik me daar een beetje thuis voelde, hoe hard ik ook overal mijn geur aan afzette, hij wist het altijd onmiddellijk weer te verwijderen, het huis achterlatend in een misselijkmakend aroma van chemicaliën. Geen enkele moeite deed hij om me op mijn gemak te laten voelen, in tegenstelling tot mijn vrouwtje, die het liefst de hele dag aan me bleef kleven. Even knuffelen vind ik best gezellig, maar op een gegeven moment wil elke gezonde kat toch ook gewoon even zelf soezelen, of wassen of met een propje spelen. Toch had ik het over het algemeen best naar mijn zin daar. Ik kreeg alle aandacht die ik nodig had en 's avonds mocht ik lekker warm op het bed naast mijn vrouwtje liggen. Tot er een nieuw bed werd gekocht, eentje die golfde en een zeer aangename temperatuur had. Werd ik ineens buiten de slaapkamer gesloten! Moest natuurlijk weer van die vent, die onuitstaanbare poetser met zijn zeephanden.
Ik pikte deze uitzetting uiteraard niet en zette de aanval in: zodra ze het donker hadden gemaakt ging ik aan de deur krabben, eerst zachtjes, maar toen ik geïrriteerd gemompel hoorde, steeds harder, tot ik de eerste houtkrullen aan mijn nagels had. Toen ging eindelijk de deur open. Maar mij erin laten? Nee hoor, die man stond daar met zijn chagrijnige kop en stapte dreigend op me af. Ik wist niet hoe snel ik de trap af moest rennen.
Hij volgde me helemaal naar beneden, waar ik me achter een kast in de kamer verschool. Kennelijk dacht hij dat ik naar de keuken was gevlucht, want daar scharrelde hij een beetje rond voor hij weer naar boven ging. Ik was veilig.
Na een tijdje wassen kreeg ik zin in een tukje, dus liep ik naar de slaapkamer om wederom een dichte deur te treffen. Verdomme. Ik hernam mijn schaafwerkje tot hij weer zou openen. Dat duurde best lang, maar uiteindelijk zag ik een kiertje... en daarna voelde ik nattigheid. Wat gemeen! Die rotzak van een vent had de plantenspuit uit de keuken gehaald terwijl hij me zocht.
Ik betwijfel of ik ooit iemand meer heb gehaat dan die man. Gelukkig zou ik in niet al te lange tijd wraak kunnen nemen.
Hè, wat voel ik me toch lekker vandaag! Helemaal knuffelig ook. Mijn vrouwtje liet me zomaar op haar schoot, op haar goede broek, terwijl ze eigenlijk aan het werk was. Ik liet me net zo lang aaien tot mijn hele staart dik was en ik lichtelijk opgewonden. Ze was verrukt en zei tegen de man: "Die prik met anabolen heeft geholpen zeg! Moet je zien hoe actief hij is... "
Ik sprong van haar schoot. Het komt toch niet door die prik dat ik me zo lekker fit voel? Dat lijkt me sterk. Ik ben nog nooit teruggekomen van de dierenarts met het idee dat ik er beter van was geworden. Maar ik elk geval bén ik altijd teruggekomen. Er gaan verhalen dat een bezoek aan die rotpraktijk heel anders kan uitpakken...
Mijn vrouwtje kwam achter me aan toen ik naar boven liep en greep ineens mijn kop vast. Ik dacht nog even dat ze verkeerd aaide, maar nee hoor, voor ik het wist schoof er iets koels tussen mijn tanden door en proefde ik een heel bittere smaak. Gadverdamme! Ze liet los en ik moest een paar keer likken en slikken om het meeste van dat spul van mijn tong te krijgen. Wat is dit nu weer voor spul? Zeker van de dierenarts gekregen. Het is wel vaker zo dat me van alles opgedwongen wordt als we daar zijn geweest. Na haar kleine verrassing probeerde ze me te paaien, maar daar trapte ik niet in. Ik rende weer naar beneden, waar ik een doos had geroken, en sprong erin. Ik ben een beetje vergeten waarom, maar op de een of andere manier geeft de geur van een doos me altijd een gevoel van veiligheid.
In het huis van de poetsmaniak had ik geen doos om me veilig in te voelen toen ik naar beneden was gevlucht om aan die rottige plantenspuit te ontkomen. Gelukkig was hij niet achter me aan gekomen en kon ik me in alle rust drooglikken voor ik weer richting slaapkamer toog in de hoop dat mijn vrouwtje de deur voor me had open gezet.
Nee. Helaas. Ze liet zich door die klootzak natuurlijk tegenhouden. Maar ik niet! Ik koos hetzelfde plekje uit en toog weer aan het krabben, af en toe luid huilend om mijn vrouwtje te bewerken, maar ook de hele tijd in de aanslag om weg te rennen als ik ook maar een glimp van een plantenspuit zag. Dat laatste was terecht, want na een kwartier vloog de deur open, ik de trap af en een straal water tegen de muur. Als ik kon lachen had ik het gedaan om het pislinke gezicht van de boengek.
Drie weken lang heb ik de terreur volgehouden. Drie weken lang ook is geprobeerd me nat te spuiten, maar dat is maar een paar keer gelukt. Uiteindelijk gaf hij zich gewonnen en mocht ik ineens naast mijn glimlachende vrouwtje op bed springen. Ze liet hem zien dat mijn nagels met geen mogelijkheid door het dekbed konden en kennelijk was dat voldoende. Had ze dat nou maar eerder gedaan, dan was de deurpost onbeschadigd gebleven. Soms is ze zo'n ontzettende muts, dat vrouwtje van me. Best een lieve muts, maar toch een muts. Ik weet nog dat ik net een paar weken bij haar woonde, en bij die schoonstinkerd. Ze wilde me naar buiten laten gaan. Ik was tegen die tijd het binnenzitten ook behoorlijk beu en wilde wel eens onderzoeken hoe de omgeving van mijn nieuwe territorium was, en of ik misschien hier en daar nog een stukje kon annexeren. Dat zou dan eindelijk gaan gebeuren. Ze aaide me, een beetje onhandig, en deed de deur open. Een wereld aan geuren drong in mijn neus toen ik mijn kop naar buiten stak! Auto's, bomen, vier soorten vogels, menseneten, poep, zeker zes andere katten, parfum en andere giffen, hout, gras, touw, stof en wat verder weg een nest jonge muizen. Heerlijk gewoon. Ik besloot er middenin te gaan staan en eerst het stuk tuin aan een grondige inspectie te onderwerpen, maar toen ik een paar stappen deed, gleed er iets met me mee over mijn rug en achter me aan. Ik sloop snel naar voren in de hoop het af te schudden, maar het hield zijn greep om me heen en trok een beetje. Plotseling was ik doodsbang, daar in die nog onbekende buitenwereld, waar ineens zomaar iets op je rug zit zonder dat je kan zien wat het is. Ik ging heel stil zitten, zeker een minuut, en voelde daardoor het iets niet. Wel rook ik des te meer: keutels van een onbekend dier, zo'n beetje vanuit de achterste hoek van de tuin. Ik wilde ernaartoe lopen, maar al na twee stappen ontdekte ik dat het ding zich nog altijd aan mijn rug vastklemde. Weer hield ik stil en deze keer drukte ik me plat op de grond. Misschien zou het loslaten als het makkelijk kon afstappen, of zou het denken dat ik te klein was om interessant te zijn. Maar ik voelde niet dat iets me verliet. Integendeel, nu ik erop lette was het meer en meer aanwezig, dreigend en onzichtbaar. Ik kon mijn eigen angst ruiken en wist zeker dat ik die middag zou sterven. Achter me hoorde ik voetstappen. Ze klonken alsof ze van mijn vrouwtje waren, maar in mijn inmiddels blinde paniek kon ik nergens meer zeker van zijn. De keutelgeur dwarrelde mijn neus weer in, probeerde me weer te verleiden. Misschien dat het van dat onbekende dier was, dat op mijn rug zat. Misschien had het wel enorme klauwen, een reuzenbek en zou het me opeten.
Plotseling werd de druk op mijn rug nog groter. Ik dook nog verder in elkaar, maar rook toen de geur van mijn vrouwtje. Ze frummelde aan het iets op mijn rug, mompelde lieve woordjes en toen was ik plotseling vrij! Ze had me verlost! Ik draaide me dankbaar naar haar om en zag hoe ze een tuigje in haar vingers hield. Haar hoofd had een schuldbewuste uitdrukking toen ze hurkte om me nog maar weer eens te aaien.
"Ik wilde je niet bang maken," legde ze uit. "Ik dacht alleen dat je zo veilig de boel een beetje kon verkennen zonder te verdwalen."
Geen woord van gelogen, dat is wat ze zei. Verdwalen! Ik! Ik kan toch ruiken waar ik langs ga, troela? Ik heb het op een verkenningstocht gezet en speciaal om haar te pesten heb ik er een hele ruime van gemaakt.

Ik was gelukkig daar. Maar ik kon nog gelukkiger zijn als ik van die schoonmaakfanaat verlost was, en het allermooiste is dat hij mijn wens helemaal zelf inwilligde.
Op een avond vertelde hij mijn vrouwtje dat hij wilde dat ze wegging. Hij had het niet over mij en even was ik bang dat het zijn bedoeling was dat ik bij hem zou achterblijven. Dus ging ik naar mijn vrouwtje om kopjes tegen haar benen te geven in de hoop dat hij zou begrijpen dat ik niet in dat chemische huis wilde blijven zonder haar. Ze aaide me en toen begon ze te huilen. Ze huilde nogal eens, mijn vrouwtje. Maar op dat moment vond ik het wel zielig en besloot ik wraak te nemen voor het feit dat hij me wekenlang uit de slaapkamer had geweerd, en ook een beetje omdat hij mijn vrouwtje verdrietig maakte. Hij stond aan de andere kant van de kamer en met een paar sprongen was ik bij hem. Mensen zijn trage, lompe wezens, dus hij zag me nauwelijks aankomen en voor hij het wist hing ik met alle vier mijn klauwen in zijn been, waar ik ook nog een paar tanden aan toevoegde. Hij schreeuwde het uit van de pijn. Dat zou hem leren! Voor hij me kon raken sprong ik weer van hem los en dook achter de benen van mijn vrouwtje, die door haar tranen heen zat te lachen. Ze beloonde me met een paar aaien en ik wist toen wel bijna zeker dat hij me daar niet meer zou willen hebben. Ik mocht met haar mee!
De dag daarop vonden we tijdelijk onderdak bij een vriendin van mijn vrouwtje, eentje met heerlijk grote borsten. Echt, zulke heb ik nooit meer gevoeld. Die van mijn eigen vrouwtje zijn ook lekker, maar die van deze nieuwe waren enorm en ze gaven helemaal mee als ik er mijn kop op legde. Helaas vond zij het niet goed als ik al liggend mijn nagels dan in de andere zette, wat misschien ook wel de reden is dat we op een gegeven moment weer moesten vertrekken. Of haar man was jaloers omdat ik steeds op schoot zat en hij niet. Weer werd ik in mijn mandje gepropt en, na een korte rit, losgelaten in een kaal flatje met betonnen vloeren en, hoewel flats toch gemaakt zijn om veel mensen op een beperkte ruimte te herbergen, weinig mensengeuren. Wat ik wel rook was muizen, tientallen! Ik kon niet wachten tot ik van deze plek mijn territorium had gemaakt en losgelaten zou worden om die uit te breiden.

© Aglaia Bouma