Vierde levenIk was een jonge man, in mijn eerste leven nog, voor ik bij mijn vrouwtje woonde, toen mij iets verschrikkelijks werd aangedaan. Ik was sterk, gezond en vrolijk, en toch werd ik op een dag, zonder dat ik ziek was, door mijn oude vrouwtje naar de dierenarts gebracht. En achtergelaten.Na een tijdje werd ik in een houten doos gezet, met mijn achterpoten eruit en voor ik wist wat er gebeurde, schoof een klep over me heen, waardoor ik, of in elk geval het voorste deel van mij, in een onheilspellend duister belandde. Ik werd geprikt en langzaam maar zeker verdween elk gevoel in mijn ballen. Of misschien niet elk gevoel, want er zat duidelijk iemand aan, er gebeurde iets mee, al wist ik niet wat. Doodsangsten stond ik uit, daar in die donkere doos, waarin de geur van honderden andere bange katten huisde en ik gilde dan ook zo hard ik kon. Maar toen de klep er weer afschoof, werd ik misschien nog wel banger. Mijn ballen roken raar, chemisch en naar dierenarts, en ze voelden leeg! Ze hadden me gecastreerd! Mijn oude vrouwtje kwam me na een tijdje halen, net toen het gevoel in wat van mijn ballen over was begon terug te komen en me met een stekende pijn herinnerde aan wat men mij had aangedaan. Ik heb het haar nooit meer vergeven, al was ik na een paar weken eigenlijk grotendeels vergeten wat ik haar niet zou vergeven. Mijn nieuwe vrouwtje heeft me dit soort geintjes gelukkig nooit geflikt. Kennelijk moet ik nu ik ziek ben wel met enige regelmaat naar die rottige dierenarts, maar meestal krijg ik dan alleen zo'n prik in mijn bil en dat is bij nader inzien niet zo erg. Ik heb er nu op gelet en inderdaad: een dag of wat later voel ik me een stuk beter. Minder geslaagd vind ik die keren dat ze bloed van me willen afnemen. Dan komt er een extra vrouw bij die me vasthoudt op een manier waarop ik helemaal geen kant meer opkan, en prikt de dierenarts in mijn hals. Heel naar, dat gevoel, maar kennelijk is deze abracadabra met bloed ergens goed voor. Mijn vrouwtje doet het vast niet om me te pesten, al zal ik natuurlijk altijd blijven protesteren. Er zijn momenten in mijn leven geweest waarop het mij zelf wel handig had geleken even een bezoekje aan de dierenarts te brengen, maar toen liet zij dat na. In ons nieuwe huis, zo ver van mijn geboortestad, hadden we een tuintje dat in de loop der tijd een heerlijk wilde bedoening werd, met hoog gras en een boom waar ik in en uit kon roetsjen. Er zaten vaak muizen, maar daardoor ook een hoop andere katten, die zelf niet zo'n fijne tuin hadden. Een daarvan was een hele grote, dikke, oude rode kater die het altijd op mij gemunt had. In tegenstelling tot de rest van de buurt negeerde hij me niet, maar van vriendelijkheid was evenmin sprake. Altijd als hij me tegenkwam in de tuin (mijn tuin!) kon ik een klauw verwachten. Hij was te groot en te zwaar voor me, dus meestal besloot ik de wijste te zijn en me in huis terug te trekken tot hij was opgedonderd. Maar op een dag had hij de euvele moed me ook daar te volgen. En dat trok ik niet. Het huis was de kern van mijn territorium en geen enkele kat had het recht zich daar toegang toe te verschaffen, ook oude rode katers niet die net doen alsof ze mijn waarschuwende blazen niet horen. Ik had geen keuze en rende op hem af, mijn haren zo ver mogelijk rechtop zettend in de hoop dat ik net zo groot leek als hij. Ik haalde uit en raakte hem op een bil, waarvan hij zo schrok dat hij het op een lopen zette. Ik zette wild de achtervolging in, blind van woede en tintelend van opwinding, en hij vluchtte voor me, was kennelijk helemaal in de war dat zijn gebruikelijke slachtoffer ineens van zich af sloeg! Hij rende de tuin door, sprong op de schutting, en erover. Ik volgde, voelde hoe mijn spieren zich heerlijk spanden en dook bovenop hem. Het gevecht was heftig, en ik deed mijn uiterste best, maar ik merkte al snel dat ik aan de verliezende hand was. Opeens kreeg ik een keiharde klap tegen mijn achterpoot en ik voelde hoe een heel stuk vel eraf werd geschaafd. In een flits was ik los en terug over de schutting in mijn eigen tuin, waar ik me onder een struik verstopte, bang dat de mens die me die klap met een stuk hout had gegeven me zou komen zoeken. Ik likte mijn poot, die zachtjes bloedde uit een flinke schram, en hield me urenlang stil. De rode kater liet zich niet zien, die mens evenmin, maar ik vertrouwde de boel niet en wist dat ik met mijn gewonde poot elke confrontatie zou verliezen. Mijn vrouwtje vond me onder die struik, droeg me naar binnen, maakte met stinkend mensenspul mijn wond schoon, maar bracht me niet naar de dierenarts, terwijl ik wel wat kon gebruiken tegen de pijn, die nog dagen bleef branden. In het begin was het zelfs zo erg dat ik niet eens naar buiten durfde, bang voor een nieuw gevecht of nog een ontmoeting met een stuk hout. Maar dat duurde gelukkig maar een tijdje; een beetje kat houdt het niet lang uit in het saaie binnen. Wel besloot ik vanaf dat moment te tolereren dat die oude rooie af en toe door mijn huis banjerde. Ik deed gewoon net of ik hem niet zag, maar zorgde ervoor dat ik alle plekken waar hij was geweest met mijn geur bedekte zodra hij weer was vertrokken. Mijn negeertactiek werkte. Hij kwam steeds minder vaak langs en uiteindelijk helemaal niet meer. Maar dat betekende ook dat er weer eens geen kat ter wereld bestond die mijn bestaan erkende. Ik realiseer me ineens dat ik als een oude man zit te bazelen over dokters, kwalen en grieven. Erger nog: ik realiseer me ineens dat ik een oude man bén. Een oude, zieke man, niet meer de energieke kerel die door een wilde tuin rent en avonturen beleeft, maar een gezapige bejaarde die uren ligt te slapen in het poppenbedje, of, als mijn vrouwtje een stukje dekbed voor me heeft platgemaakt, aan de kant van de man want daar ruikt het lekker. Of op haar schoot natuurlijk, maar dat zijn altijd hazenslaapjes, want mensen zijn maar niet in staat een tijdje fatsoenlijk stil te blijven zitten waardoor ik altijd genoodzaakt ben naar mijn doos te vluchten die ze nu heel gezellig naast haar stoel heeft gezet. Had ik niet nog een plek? Ben ik die vergeten? Nou ja, maakt niet uit. Ik wilde vertellen over mijn leven in die nieuwe stad, waar we samen heel gelukkig waren. Die sterk ruikende man kwam af en toe wel langs, maar die gaf me dan een onhandige, te harde aai en liet me verder wel met rust. Als hij weer opgehoepeld was, hadden mijn vrouwtje en ik het rijk alleen. Ze was veel thuis toen, dus ik kon uren op haar schoot liggen als ze achter haar computer zat (en niet te veel bewoog), of gewoon ergens in haar buurt op een stoel hangen, of muizen vangen in de tuin. Toen we daar nog niet zo lang woonden, maar zij me alweer voldoende vertrouwde om een raampje voor me open te laten, pakte ze op een dag de boodschappentas. Benieuwd naar waar de winkels hier waren, liep ik gezellig met haar mee. Ze stopte bij een paal, na een minuut of twee lopen en ging een sigaret staan roken terwijl ik me richtte op de wel heel sterke geur van een poes. Ik voelde enige opwinding van haar reuk, maar hoe ik mijn neus er ook tegenaan drukte, het wilde me maar niet te binnen schieten wat deze specifieke toevoeging ook alweer betekende. Achter mij hoorde ik een zwaar brommen en een piep en toen ik omkeek zag ik de deuren van een grote bus opengaan, terwijl het gevaarte lichtelijk boog om mijn vrouwtje het instappen te vergemakkelijken. Ik twijfelde heel even, heb het niet zo op voertuigen, maar besloot toen dat als zij erin durfde, ik dat ook kon. Met een soepel sprongetje stond ik naast haar, tevreden over mijn moed, en gaf ik een kopje tegen haar been om eventuele andere aanwezige katten duidelijk te maken dat zij van mij was. Kennelijk had ze helemaal niet gemerkt dat ik was meegelopen, want haar reactie was er een van verbazing: "Yuri! Wat doe jij nou hier?" Ik mauwde kort, lichtelijk geďrriteerd over deze wel heel domme vraag. Ze ging boodschappen doen en dan ging ik altijd mee, toch? Toch niet, niet meer. Nu we in dit nieuwe huis woonden, vond ze het niet meer goed dat ik haar gezelschap hield tijdens de reis naar de winkels. Ze pakte me op, vroeg de chauffeur de deuren nog eens open te doen en zette me op de stoep. Ik draaide me direct om, wilde haar overtuigen dat ik heus wel mee durfde, probeerde mijn argument kracht bij te zetten door mijn poot in de bus te zetten, maar ze duwde me gewoon weg met de smoes: "Je mag niet in de bus." Daar stond ik dan, verlaten, terwijl dat enorme ding zich in beweging zette en mijn vrouwtje met zich meenam. Voor straf heb ik haar nooit meer gezelschap gehouden als ze boodschappen ging doen. Zoals ik had voorspeld, duurde de relatie tussen het vrouwtje en die geurende man niet zo heel lang. Een tijdje nadat we verhuisd waren, ging ze ineens regelmatig 's avonds weg, en toen er op een dag een vent met haar mee naar huis kwam, wist ik waarom. Deze was anders, ze was aanhankelijker naar hem toe en dat kon ik slecht verdragen. Hij deed meestal alsof ik niet bestond, wat ik prima vond, maar ik had liever gezien dat hij dat naar mijn vrouwtje toe ook deed. In het begin heb ik nog geprobeerd haar duidelijk te maken dat deze nieuwe me helemaal niet aanstond en dat ik chronisch aandacht tekort kwam, door op het bed te plassen en de bank te vernielen, maar ze was niet onder de indruk. Er zat niets anders op dan die indringer te negeren en mijn vrouwtje geen liefde te geven als ze in zijn buurt was. Ik ging dan meestal een beetje buiten rondhangen, nog altijd hopend dat de katten in deze buurt me op een gegeven moment als een van hen gingen beschouwen. Dat kon ik vergeten. Er was er zelfs een die een deel van zijn territorium aan me afstond, onder de voorwaarde dat ik hem met rust liet. Ik was eenzaam tijdens die nachten en als ik dan na uren doelloos rondslenteren maar weer naar huis ging, vond ik meestal die vent in ons bed. Om toch nog een beetje het gevoel te houden dat mijn vrouwtje meer van mij was dan van hem, krulde ik me om haar hoofd en ging ik slapen. Zo was ik lekker dichter bij haar dan hij. In die tijd begon ze ook steeds vaker naar van die papieren dingen te staren. Uren kon ze dat doen, regelmatig omslaand om naar een volgend stuk papier te gaan zitten kijken. Een boek lezen noemde ze dat. Ik begreep er niets van, maar omdat ze wel lekker rustig zat zo, was het een ideaal moment om bij haar op schoot te gaan zitten. Dan aaide ze me lekker en liet ze me een holletje maken tussen zo'n boek en haar buik, maar zodra ik dan lag, trok ze het weer los om er weer naar te staren en kon ik weer helemaal opnieuw beginnen met een plekje zoeken. Later kregen we ook iedere dag hele grote papieren thuis, die de naam krant kregen, en ook daarmee maakte ze er een gewoonte van ernaar te kijken alsof er iets interessants op gebeurde. Maar er lag niks op! Ik besloot het interessanter voor haar te maken en sprong op het papier, dat me toch ook altijd in de verte aan een veilige doos deed denken. Als ze me dan wilde aaien, ging ik lekker op de krant liggen. Dan had ze echt iets om naar te kijken, leek me. Maar om de een of andere reden duwde ze me na een minuutje of zo altijd weer weg, om naar het volgende papier te gaan zitten staren. Ze is er nooit meer mee opgehouden. Rare wezens, die mensen. |