Vijfde leven

Gelukkig, ze hebben eindelijk de boodschap begrepen: dat dieet is niet te vreten. Of misschien vonden ze dat ik nu dun genoeg was. Als ik me zit te wassen, moet ik heel ver doorbuigen om bij mijn flank te komen. Die is behoorlijk ingevallen. Geen idee wat precies de reden is voor de ommezwaai, maar ik krijg nu dus weer redelijk normaal voer. "Oudemannenvoer," noemt mijn vrouwtje het, maar het smaakt in elk geval veel beter dan die andere drek.
De misselijkheid wordt wel erger de laatste tijd, vooral na mijn ochtendslaap is het vaak niet te harden. Vanmorgen vroeg voelde ik het ook al aankomen. De wekker ging en ik sprong van de bank om mijn aai van de man in ontvangst te nemen toen ik me ineens ontzettend beroerd begon te voelen. We gingen naar beneden en ik sprong snel in mijn veilige doos omdat hij me 's ochtends altijd druppels wil geven. Nu hij me niets kon maken, ging hij maar met mijn eten in de weer. Op dat moment voelde ik ineens dat ik moest plassen, dus kwam ik uit de doos en liep naar mijn bak. Voor ik wist wat er gebeurde dook de man ineens naar beneden, greep me vast en duwde de spuit met druppels in mijn bek. Gadverdamme, die was ik alweer vergeten! Ik wist ook niet meer waar naartoe ik onderweg was geweest toen ik ineens overmeesterd werd, dus besloot ik maar te gaan controleren of buiten er nog was. Toen ik weer binnen kwam en de geur van mijn voer rook, ging ik zowat over mijn nek. Ik had ook eigenlijk helemaal geen trek, dus deed ik een plas (die de laatste tijd verschrikkelijk stinkt. De bak is echt niet te harden als ze hem niet hebben schoongemaakt!) en ging ik naar boven om mijn vrouwtje te wekken. Op de goede dagen nemen we dan uitgebreid de tijd om te knuffelen, te spinnen, kopjes te geven, te aaien. Maar vandaag lukte me dat niet. Door de opwinding van het samenzijn werd de misselijkheid alleen maar erger, dus ging ik zo rustig mogelijk op haar buik liggen soezen, en verhuisde ik naar de plek van de man toen zij opstond. Gelukkig viel ik snel in slaap, maar iets minder gelukkig was ik met het feit dat ik hondsberoerd was toen ik weer wakker werd. Ik moest er echt iets aan doen.
Ik ging naar beneden, langs de mensen, langs mijn voer, en glipte naar buiten, waar ik zonder omwegen naar een plantenbak van de buren liep, die zo vriendelijk zijn er gras voor me in te laten groeien. Binnen een minuut had ik resultaat. Snel ging ik weer naar binnen, waar ik mijn vrouwtje waarschuwde dat ik moest overgeven, zodat zij zo'n krant kon neerleggen om het geheel op te vangen. Het duurde lang voor het wilde komen en het kokhalzen deed bijna pijn aan mijn middenrif, maar toen ik het eenmaal kwijt was voelde ik me een stuk beter. Vijf minuten later kreeg ik zelfs weer zin in een paar hapjes oudemannenvoer en een schoot.

Toen mijn vrouwtje een tijdje met die nieuwe man ging, moesten we weer zo nodig verhuizen. We gingen in zijn huis wonen, een portiekwoning op de eerste verdieping, in een wijk die de 'bomenbuurt' heette. Een belachelijke naam, want bomen waren er nauwelijks. Bij ons oude huis stonden er veel meer.
Ik was er inmiddels wel aan gewend dat het een tijdje duurde voor mijn vrouwtje het aandurfde me de vrijheid te geven te komen en te gaan wanneer ik wilde, maar deze keer duurde het extra lang. Ik werd er onrustig van, ook omdat ik het nog altijd niet goed kon hebben dat ik haar met die vent moest delen. Soms gingen ze 's avonds urenlang weg, allebei met van die boeken in een tas, en dan zat ik daar maar in mijn eentje. Ik vernielde uit verveling ook zijn bank, gooide alle grind uit mijn bak en verspreidde het door de keuken, of scherpte mijn nagels aan de vloerbedekking die helemaal nog niet naar ons rook. Af en toe speelde ik een tijdje met een balletje van zilverpapier, maar dat gaat na een minuut of tien ook wel vervelen, vooral als er niemand is die hem een zetje geeft zodat je net kan doen of hij uit zichzelf beweegt. Ik was dan ook altijd blij als ze weer thuiskwamen met hun tassen en ik tikkertje kon doen met mijn vrouwtje, of verstoppertje. Dat laatste vooral als die vent weer begon te zeuren om zijn gehavende bank.
Eindelijk, eindelijk, na een hooglopende ruzie tussen het stel en de afspraak hele gekke, lange sleutels te gebruiken, stemde de man erin toe dat het luikje in de voordeur open mocht. Het was wel een behoorlijke sprong om daar doorheen te komen, maar in die tijd draaide ik daar mijn poot niet voor om. Ik bedacht me geen moment en zette het op een onderzoeken, daar in die nieuwe buurt. Katten rook ik, massa's, en veel stinkende auto's, en duiven. Duidelijk was wel dat er hier geen plek was voor een eigen territorium, dus ik moest me in dat van anderen begeven. Net toen ik een beetje gewend begon te raken aan de geuren in deze omgeving, hoorde ik de voetstappen van mijn vrouwtje. Ze kwam achter me aan! Wilde ze me terughalen? Opnieuw opsluiten? Ik deed net of ik haar niet zag en zette er de vaart in, intussen heftig ruikend welke route ik nam opdat ik mijn huis weer zou kunnen terugvinden. Nu begon ze ook nog te roepen. Ze wilde echt dat ik weer binnenkwam, net nu ik eindelijk weer wat vrijheid had. Ik liep nog harder, sloeg een hoek om, besloot toen op een muur te springen en via een goot een dak over. De geur van duiven werd alsmaar sterker en mijn vrouwtje hoorde ik niet meer. Ik moest ongeveer aan de achterkant van ons huis zijn nu, en volgde nog altijd de geur van de vogels. Daar! Een hele til met slome, stinkende en glimmende beesten, allemaal met een ringetje. Een man kwam de ruimte binnen waar ze omheen zaten en in en uit vlogen, en hij begon tegen die domme duiven te praten, lieve woordjes te zeggen. Ik hield het tafereel een tijdje in de gaten, vanaf mijn veilige plek op het dak tegenover de til. Ik kreeg honger van al dat fladderende gespuis, besloot de duiven een bezoekje te brengen als die man weg was en toog terug naar huis om te gaan eten.

De katten in de bomenbuurt waren in eerste instantie zowaar heel vriendelijk. Er was een jonge, bruine kater die me de buurt een beetje liet zien, en een zwarte poes die twee balkons verderop woonde en wel eens met me wilde stoeien. Op een avond, het was zwoel, zat ik samen met haar op een muurtje, elkaar zogenaamd te dreigen met diepe grommen, toen ik ineens mijn vrouwtje hoorde roepen. Het was ook al best laat en ze had vast mijn brokjes al in mijn bakje gedaan, dus verliet ik de zwarte poes en huppelde ik naar mijn vrouwtje, die me een warme aai gaf.
Toen ik 's nachts weer buiten kwam en de bruine kater trof, wilde hij ineens niets meer van me weten. Hij draaide zich om toen ik op hem toeliep, en zodra ik dicht in de buurt was, stond hij op zonder me een blik waardig te gunnen en ging er met statige passen vandoor. Ik begreep er niets van. Had ik iets verkeerds gedaan? Was de poes beledigd omdat ik zonder veel omhaal naar huis was gegaan? Sinds wanneer moet een kat dan uitgebreid afscheid nemen? Het is toch duidelijk dat je vertrekt als je ervandoor gaat? Ik was verdrietig, en toen de buurtkatten na een paar dagen niet ontdooiden maar in plaats daarvan juist steeds gemener tegen me werden, ook boos. Gelukkig wist ik precies waar ik me op zou kunnen afreageren. Ik ging de route die ik de eerste dag had gevolgd, over het muurtje, via de dakgoot een dak over en ging een half uurtje zitten kijken of de kust veilig was. Het was donker in de til, en stil. De duiven sliepen, maar hun hok stond wel open. Heel langzaam sloop ik naar voren, ervoor wakend dat ik geen enkel geluid maakte, terwijl het water me in de bek liep. Een vieze vette duif vangen, dat kan alleen maar een echte stoere kat! Ik zou ze wel eens laten zien dat ik hun aandacht waard was.
Ik hoefde de til niet eens in. Er vlak voor zat een glanzend exemplaar te suffen, dom wachtend op zijn dood. Hij werd wakker vlak voor ik hem greep en maakte een hels kabaal wat me dwong snel zijn keel door te bijten. Dat was een teleurstelling. Het is veel stoerder om met een tegenstribbelende prooi door de buurt te lopen.
Ik pakte het kreng bij de nek en begon hem naar huis te slepen, af en toe wild met mijn kop zwaaiend om de indruk te wekken dat hij nog leefde. Ik weet niet of de andere katten me hebben gezien, want door dat grote zware beest dat onhandig tussen mijn poten sleepte, kon ik mijn kop niet ver genoeg optillen. Het duurde even voor prooi en ik samen door het luikje in de deur kwamen. De eerste keer dat ik sprong bleef de dode duif aan de rand haken, waardoor ik genoodzaakt was los te laten. Ik dook erachteraan, ineens zeker wetend dat hij stiekem toch nog levend was en ervandoor zou gaan, maar gelukkig lag hij hartstikke dood te wachten tot ik een tweede poging zou doen. Nu pakte ik hem verder bij het lichaam in de keel, zodat ik meer duif voor me dan onder me had en met een niet zo soepele sprong waren we binnen. De kop en staart schuurden langs de zijkanten, maar waren soepel genoeg om door te buigen. Ha! Deze enorme prooi hield ik zelf. Kon ik heerlijk al mijn woede op afreageren. Ik zou er later nog wel een vangen voor mijn vrouwtje. Ik verscheurde het kreng, wild schuddend met mijn kop, mijn tanden voelde ik diep in het vlees doordringen en ik rukte een poot los. De kop was er ook zo af, want de nek was al half doorgebeten. Overal in huis liet ik een stukje duif achter, bezaaid met veren. Heerlijk!
Helaas waren de buurtkatten niet onder de indruk. Ook niet toen ik er nog een paar voor mijn vrouwtje had gevangen, die ze ondankbaar steeds helemaal onderin de vuilnisbak duwde. Mijn woede ebde langzaam weg, en daarmee ook mijn behoefte nog meer duiven te vangen. Of misschien vergat ik op een gegeven moment ook wel dat er in de buurt een til bestond. Dat weet ik niet meer.

Tegenwoordig zou het me niet meer lukken een duif te vangen. Ze zitten hier wel in de buurt, op de grond zelfs, voor niks en niemand bang, gaan zelfs voor auto's niet op de vlucht, maar ze zijn veel te dik. Of ik ben te mager geworden, kan ook. Af en toe een muis lukt nog wel, maar liever nog vang ik insecten of spinnen - die zijn niet zo snel. Gisteravond had ik ineens een hele dikke langpootmug te pakken. Dat was een moment waarop ik me even weer helemaal goed voelde. Ik lag op bed lekker tegen mijn vrouwtje aan te knuffelen, te genieten van haar zachte aaien, tussen haar en zo'n raar boek in, toen ik ineens het onmiskenbare getik van het beestje hoorde. Ze probeerde door de muur heen te vliegen of zo, maar daardoor was ze wat onvoorspelbaar in haar bewegingen. Ik verliet mijn vrouwtje en ging op de grond zitten, volgde de langpoot totdat ik een soort ritme in haar vlucht vond en wist haar met een supersonische beweging in een keer uit de lucht te plukken. Niets lekkerder dan een hapje mug. Nou, een spinnetje misschien. Op de wc zitten ze vaak. Niet van die hele grote, maar in elk geval makkelijk bereikbaar. Ik ga nogal eens mee met mijn vrouwtje als ze gaat plassen, want dan zit ze rustig zonder bezig te zijn en kan ze me mooi aaien. Links achter de pot zit een hoekje waar ik wel eens een spinnetje heb gevonden; ze zat gewoon te wachten tot ik haar kwam opeten, precies op de hoogte van mijn voerbakjes. Ik hoopte dat dit een prettige plek was voor spinnen om te gaan zitten, dus altijd als ik op de wc kom ga ik even controleren of er een nieuw exemplaar is verschenen, maar helaas, dat is nooit meer gebeurd. Meestal gaan ze in een hoek bij het plafond zitten en daar kan ik alleen bij als ik via de benen van mijn vrouwtje naar de plank klim, maar op de wc mag ik niet op schoot. Ik mag zo veel niet. Zo willen mensen ook niet dat ik bij ze op bed ben als ze in hun blootje gaan stoeien. Flauw vind ik dat. In die portiekwoning in de bomenbuurt waren ze dat op een gegeven moment ook aan het doen. Ik wist al dat het een tijdje kon gaan duren, dus ging ik een paar meter verderop op de bureaustoel een tukje doen. Ik was moeër dan ik had gedacht, want ik sliep zo diep dat ik geen enkele waarschuwing had geroken toen ik plotseling werd besprongen door de boosaardige kat van het balkon boven ons. Met een geschrokken schreeuw probeerde ik me om te draaien, mijn meest kwetsbare delen te beschermen tegen die klootzak, die zomaar, in mijn territorium, en zonder waarschuwing tot de aanval was overgegaan. Intussen probeerde ik hem om die reden ook een paar rake klappen uit te delen, maar echt lukken deed het niet. Gelukkig werd dat gemene loeder opeens van me afgetild door de man, en weggedragen. Ik sprong snel van de stoel en samen met mijn vrouwtje ging ik kijken wat hij met dat secreet van plan was. Dat was niet veel. Hij opende de deur naar het balkon en smeet de kat daar neer, kennelijk verwachtend dat het beest het hazenpad zou kiezen richting zijn eigen territorium. Maar niet dit monster. Met griezelig fonkelende ogen draaide hij zich direct om en nam een reuzensprong in de richting van het gezicht van de man, die hij net op tijd wist te beschermen door er zijn arm voor te houden. De woeste kat en hij worstelden een tijdje en ik wilde de mens te hulp schieten, want hij was veel te traag voor het beest en zou uiteindelijk ongetwijfeld een oog moeten missen, maar ik mocht niet van mijn vrouwtje. Ze hield me tegen.
Ineens was de nijdas los en terug op het balkon. Weer draaide hij zich onmiddellijk om en weer waagde hij een sprong richting het gezicht, om deze keer in niet zachtzinnige aanraking te komen met de deur van de badkamer, die de man met onmenselijke snelheid had weten open te rukken. De kwade kat kon er niet langs, maar droop ook niet af. We hoorden hem met alle agressie die hij in zich had de deur aanvallen.
De man pakte de stang waar het douchegordijn aan hing, terwijl bij elke beweging grote druppels sterk geurend bloed op de grond vielen. Hij schudde het plastic van de stang, trok de barricade iets opzij en wist de kuttenkop, die in zijn blinde razernij de stang aanviel, met enkele porren tot op het balkon te manoeuvreren, waarna hij snel de deur sloot. Nog twee keer sprong het ondier in de richting van het gezicht, waarin woede en angst vochten om voorrang. En twee keer ontmoette hij het harde glas van de deur. Daarna begreep hij de boodschap: het gevecht was over en hij had verloren.
Nu liet mijn vrouwtje me los en liep ze op de man toe, die daar trillend stond te bloeden. Ik ging aan zijn bloed staan ruiken, terwijl zij een theedoek om de wonden bond, hem in zijn kleren hielp, zelf kleren aantrok, en ze samen vertrokken. Ik heb tijdens hun afwezigheid een likje van zijn bloed geproefd, maar ik prefereer toch dat van natuurlijker prooien.

Dat katten me buiten van tijd tot tijd verschrikkelijk mishandelen, daar heeft mijn vrouwtje altijd beter mee kunnen leven dan ik. Maar zo'n aanval in mijn eigen territorium was kennelijk ook voor haar een teken dat het niet veilig was daar nog langer te blijven wonen. Niet veel later verhuisden we dan ook naar een huis in wat Scheveningen wordt genoemd. De man lieten we achter bij de boosaardige kat. Hij kwam in het begin nog wel eens langs om dingen te doen, zoals mijn luikje in de deur maken, maar na een tijdje ook dat niet meer. Ik was weer alleen met mijn vrouwtje! Eigenlijk mag ik dat gemene secreet dus wel dankbaar zijn.

© Aglaia Bouma