Zesde leven

Het duurde even voor ik gewend was in de nieuwe buurt. Misschien doordat dit huis twee ingangen had: een beneden, dat uitkwam op een hofje waar ik in eerste instantie niet uit leek te kunnen, en een boven, door het dakraam, wat me de vrijheid gaf de daken en de buurt te verkennen. Het waren twee werelden op zich.

De daken rond ons huis wemelden van de katten, die onderling soms groepjes vormden, maar van mij niets wilden weten, hoe vriendelijk ik me ook opstelde. Ik was gewoon niet van hier en daar hielden ze niet zo van. Sloerie en Brutus woonden er toen ook nog niet, dus met hen kon ik me evenmin vermaken. Zij waren ook degenen die me zouden leren hoe ik uit het hofje kon komen. Tot die tijd was de regel: als ik door het dakraam naar buiten ging, moest ik ook door het dakraam weer naar binnen. Op de daken waren maar een paar katten die er de dienst uitmaakten. De belangrijkste heerser was een hele grote, wit met zwart gevlekte kater, die zich niet vaak liet zien, maar als hij er was deed je er goed aan uit zijn buurt te blijven. Maar dat wist ik toen natuurlijk nog niet. De eerste keer dat ik hem tegenkwam overviel me een overdonderend gevoel van herkenning. En schuldgevoel. Hij had bijna dezelfde tekening als mijn broertje. Maar toen ik wat dichterbij was gekomen om hem te kunnen ruiken, wist ik al snel dat dit geen familie was. De grote kater, die door zijn mensen Sam wordt genoemd, vond een ruime meter afstand al te veel en hij blies waarschuwend, waarop ik een beetje in elkaar ging zitten, me klein makend, om hem duidelijk te maken dat hij van mij niets te vrezen had. Ik had geen kwaad in de zin. Maar Sam was niet tevreden. Ik moest van zijn dak af, wat onmogelijk was, want dat was ook mijn dak en daar net voorbij hem was de ingang naar mijn huis, en daar wilde ik zijn als mijn vrouwtje wakker werd. Sam keek even een andere kant op, en ik besloot het erop te wagen. Ik begon met stevige pas door de goot te lopen in de richting van mijn dakraam, maar net toen ik het bijna bereikt had, landde zijn enorme gewicht op mijn rug en haalde hij uit, waarbij een nagel in mijn oor bleef hangen. Wetend dat ik het onderspit zou delven, worstelde ik me onder hem vandaan, scheurde oor en nagel van elkaar en zette het op een sprinten. Hij volgde op de voet en pas toen ik de tegenwoordigheid van geest had me via een muurtje op straat te laten vallen liet hij me met rust.
Daar zat ik dan. Op straat, tussen allemaal vreemden. Het muurtje was te hoog om weer op te springen, als ik dat al had gedurfd. Ik snuffelde wat rond, probeerde iets bekends op te vangen, maar alles werd ondergegeurd door een die nacht wel erg sterk aroma van vis. Het rook bijna hetzelfde als het voer dat ik soms kreeg, dus ik besloot te gaan kijken waar het vandaan kwam. Ik liep de straat uit, stak over, moest toen klimmend door nog een straat en toen ik op de top van een heuvel stond en de geur bijna ondraaglijk lekker en sterk was, zag ik in de langzaam lichter wordende ochtend het meest angstaanjagende wat ik ooit had gezien: een enorme uitgestrekte, donkere watermassa die zout rook. En naar vis. Zat daar vis in? Kwam daar de vis uit die ik in mijn bakje kreeg? Maar dat was dan toch niet natuurlijk voer te noemen? Een beetje kat gaat toch niet het water in? Zeker niet zo'n onmetelijke hoeveelheid water.... Ik draaide me resoluut om, terug naar waarvandaan ik gekomen was en intussen besluitend dat ik nooit meer vis hoefde, toen ik ineens voelde hoe een tintelende pijn mijn oor martelde. Ik was in de consternatie helemaal vergeten dat Sams nagel erin had gehangen. Ik kroop onder een auto, zo'n beetje wat in de buurt van mijn huis moest zijn, en begon mijn oor te wassen. En toen de rest ook maar, want ik moest uren wachten voor ik de verlossende stem van mijn vrouwtje hoorde, die mijn naam riep. Al bij het eerste "Yuri!" zette ik het op een lopen, maar ze was verder weg dan ik had gehoopt, dus pas bij de derde keer roepen zou ze mij kunnen horen. Ze stond met haar rug naar me toe en draaide zich om toen ik terugmauwde. Hoe vulde geluk haar gezicht toen ze me zag! En hoe van schrik toen ze opmerkte dat ik een wond aan mijn oor had! Ik liet me door haar optillen en knuffelde even terug, maar toen ze me een paar meter gedragen had, wilde ik toch liever zelf vaste grond onder de poten hebben. Vaste grond, niet water... ik huiverde bij wat ik aanwezig wist achter die heuvel, probeerde me vrij te worstelen, maar mijn vrouwtje was kennelijk te blij dat ze me vast kon houden en weigerde me los te laten. Pas nadat we een deur door waren gegaan, en we ineens in het hofje stonden, zette ze me neer.

Het hofje, het veilige hofje. Nou ja, veilig. Er is een plek die te allen tijde vermeden moet worden en dat is de deur van de buren. Of in elk geval de deur van de buren als de buurman in de buurt is.
Toen ik net mijn luikje had gekregen, begreep ik niet waar dat ding voor was. Tot die tijd had ik altijd door open deurraampjes naar buiten gekund, die het voordeel bieden dat je eerst even in de opening kan blijven hangen, ruikend of er gevaar dreigt. Dat luikje bood die mogelijkheid niet, wat me helemaal in verwarring bracht. Ik stond binnen en mijn vrouwtje ging naar buiten, de deur achter zich dichttrekkend. Toen begon ze me te roepen en haar stem klonk glashelder, alsof er niet een hele dikke houten deur tussenzat. Hooguit een hele dunne. Toen begon ineens dat luik te bewegen. Ik begreep er niets van. De man die we hadden verlaten stond bij mij in de keuken en begon me tegen het luik te duwen, wat ik natuurlijk niet wilde. Als dat ding weer mijn kant op zou bewegen, zou het tegen mijn kop aanstoten. Zie je wel, daar ging hij weer! En daar waren de vingers van mijn vrouwtje! Hoe kon dat nou? Zij was buiten en haar hand was hier! Voor de zekerheid rook ik eraan, en ja, die vingers waren zeker weten van haar. Ik keek langs de pols, de arm, en omdat het luikje nu omhoog stond zag ik ineens haar gezicht. Begeleid door haar hand, liet ik me door de opening naar buiten duwen, waarna het luikje zich met een lichte tik sloot. Mijn vrouwtje aaide me even, glipte toen door de deur naar binnen die door de man was geopend en liet mij achter. Ik begreep niet wat de bedoeling was, maar toen ik haar hoorde roepen, duwde ik mijn neus tegen het luik, dat opvallend makkelijk meegaf en in een wip stond ik ineens weer in de keuken. Dus ik kon zo zelf binnenkomen! Maar hoe moest ik dan naar buiten?
Mijn vrouwtje glipte weer de deur door en begon opnieuw te roepen, terwijl de man tegen mijn achterhand stond te duwen. Wat was dat met die mensen? Alle deuren gaan maar naar een kant open en dit luik was een soort deur, dus ze zouden me er eerst uit moeten laten voor ik kon laten zien dat ik begreep dat ik door het luikje naar binnen kon.
Toen bewoog de man ineens zijn hand naar mijn nieuwe ingang en wat ik toen zag was wel heel gek: het luik bewoog door de druk van zijn vingers ineens de andere kant op! Hoe bizar! Ik glipte langs zijn vingers en stond weer in het hofje bij mijn vrouwtje. Wat een briljant concept was dit. Een luik dat twee kanten op kon! Ik oefende nog een paar keer, binnen en buiten steeds met elkaar verwisselend om goedkeurende aaien en lieve woordjes in ontvangst te nemen, toen ons feest ineens bruut verstoord werd door de onmiskenbare geur van een kattenhater (het rook bijna hetzelfde als die mens die me ooit met die plank had geslagen). Ik dook veilig achter de benen van mijn vrouwtje en gluurde eromheen, waardoor ik in de deuropening van de buren een hele magere man kon zien staan.
"Als dat beest bij ons naar binnenkomt, dan maak ik hem af!" riep hij dreigend. De benen van mijn vrouwtje begonnen zachtjes te trillen. Ze bukte zich en tilde me op, drukte me tegen zich aan, sissend: "Je blijft met je poten van hem af!"
Ik mauwde, wilde die griezel duidelijk maken dat ik geen enkele intentie had me in dat steriel stinkende huis van hem te begeven, waar, dat kon ik door de deuropening al ruiken, in geen eeuwen een kat was geweest, maar natuurlijk begreep hij me niet. Mensen zijn ook zo dom.
Hij uitte nog wat dreigende taal en beëindigde daarmee de feestelijke opening van het tweezijdig bewegend luikje.
Maar dat is eigenlijk het enige negatieve aan het hofje. Voor de rest is het een vredige bedoening, zeker toen we hier nog niet zo lang woonden. Voorbij de deur van de buren, een paar meter verderop, was nog een deur, waar toen nog een hele vriendelijke, rustige, beetje vadsige, grijs-bruin-witte poes woonde. Haar naam ben ik vergeten. Stom wel. Zij heeft me geleerd wat ik moest weten over deze buurt. Zij heeft me verteld dat Sam Sam heette, en dat hij extreem overgevoelig is wat betreft zijn territorium. Zij was ook de enige in de hele buurt die het wel gezellig vond als ik een beetje in haar buurt ging zitten. Maar zij verhuisde natuurlijk. Je zal eens een vriend kunnen houden op deze wereld.

Nou ja, mijn vrouwtje heb ik natuurlijk altijd nog. Het is wat minder dat ze me steeds meer druppels geeft en me met enige regelmaat naar de dierenarts brengt om me zo'n energieprik te laten geven, maar ze doet het voor mij, dat weet ik wel. Sinds ik ziek ben zijn we eigenlijk nog dichterbij elkaar komen te staan; ik wil genieten zo lang het nog kan en zij kan nou eenmaal heerlijk knuffelen.
Gisteren had ik daar ook zin in. Ik had na mijn middageten wat liggen slapen en toen ik wakker werd, was het helemaal stil in huis. Niemand om me te aaien. Een beetje mokkend omdat ze zo ongemerkt vertrokken waren, dronk ik mijn halve bak water leeg, waarna de misselijkheid, die nu bijna altijd op de achtergrond ligt te loeren op een geschikt moment om me te komen teisteren, weer wat was teruggeduwd. Daarna ging ik naar buiten om een plas te doen, want mijn bak was daar te vies voor.
Ik was nog niet door mijn luikje, of ik hoorde ineens de stem van mijn vrouwtje! Snel liep ik naar waar het vandaan kwam. Ze zat in het huis bij het achterste hofje, waar die kleine zwarte poes Boris, die nooit eens met me wilde spelen, hoorde. Ik sprong op een stoel die voor het raam stond en keek naar binnen. Ja hoor, daar zat ze, een glas wijn in haar hand, te praten met het vrouwtje dat daar woonde. Ik tikte tegen het raam om haar aandacht te trekken en zag hoe de bewoonster schrok. Ze stond op en duwde het gordijn wat verder opzij. Mijn vrouwtje keek nu ook en toen ze zag dat ik het was, verscheen die heerlijke brede glimlach, die ze alleen voor mij bewaart, op haar gezicht.
Tien seconden later was ik binnen. Ik liet me even aaien, daar was ik immers voor gekomen, maar de geuren in dat vreemde huis lieten me niet los, dus besloot ik de boel daar eens even te verkennen. Die kleine zwarte was er duidelijk niet meer, werd dus ook niet binnengehouden of zo. Alles wat over was van haar geuren, was al wat ouder, vager, niet meer zo scherp. Zou ze naar de dierenarts zijn gebracht om nooit meer terug te komen?
Weer beneden wilde de bewoonster me graag aaien. Dat heeft ze wel vaker als ik haar in het hofje tegenkom. Dus liet ik haar een tijdje begaan, tot ik er genoeg van kreeg en me op mijn zij liet vallen om haar te laten ophouden. Ze begon me nu op mijn buik te kietelen, waar ik niet zo goed tegen kan, maar door de manier waarop ze dat deed, dacht ik dat ze met me wilde stoeien, dus ging ik voorzichtig in haar arm ging hangen en zette ik mijn tanden speels in haar duim. Geschrokken trok ze terug, waardoor mijn voorzichtige nagels nu iets minder voorzichtig langs haar huid krasten. De duim had ik wel op tijd losgelaten, dus behalve een heel klein kuiltje was daarin niets te zien. Ik sprong op, schaamde me een beetje, en trok me terug op de schoot van mijn vrouwtje, die me gelukkig niets kwalijk nam.
Ik had weer eens een mens verkeerd begrepen. Waarom doen ze toch alsof ze willen stoeien, terwijl dat niet zo is? Waarom vinden ze het überhaupt nodig je te kietelen? Mijn schaamte liet me echter niet meer los, vervormde zichzelf zelfs tot het Grote Schamen dat ik al mijn hele leven probeer te vergeten. Voor de zevenhonderddrieëntachtigste keer verontschuldigde ik me in stilte tegenover mijn broertje. Het hielp ook deze keer niet.

© Aglaia Bouma