Zevende levenNu heb ik ook nog hartruis. Geen idee wat dat betekent, maar het klinkt niet best. Maar ja, dood ging ik toch al, dus waarom mijn vrouwtje zich nu weer die pillen heeft laten aansmeren is me een raadsel. Pillen! Ze weet toch dat ik die dingen niet wil?De eerste avond dat ze met zo'n ding kwam aanzetten, probeerde ik haar dat al duidelijk te maken. Zodra zij mijn bek openwurmde, zette ik een dikke tong op, die ik constant bleef bewegen waardoor ze met geen mogelijkheid een plek kon vinden om dat vieze ding mijn keelgat in te werpen. Werkt altijd, die truc, en meestal geeft ze het dan wel op, al dan niet aangespoord door een paar nagels in haar hand. Maar deze keer werd ze boos. Ik haat het als ze boos wordt. Dan zet ze een barse stem op die me het zelfverwijt over vroeger bijna doet vergeten, bijna doet onderdompelen in een nieuw, veel zwaarder schuldgevoel. En deze keer greep ze me ook nog extra stevig vast, bij mijn nekvel, waardoor ik nauwelijks nog iets kon. Behalve met mijn tong werken. Ze duwde die pil mijn bek in en liet me weer los, maar ik voelde me nog steeds niet prettig bij haar boosheid, ook niet toen ze me daarna ging aaien en weer lieve woordjes begon te prevelen. Ik voelde me nog steeds schuldig, deels omdat ik de bitterheid van die pil direct achter mijn wang voelde, in combinatie met zijn ongesmolten hardheid. Het leek een eeuwigheid te duren voor ze naar boven ging en ik het vieze geval kon uitspugen, half kokhalzend door de gore smaak en de misselijkheid die me nauwelijks nog verlaat. Een half uur later vond de man de pil en ik dook, bang dat ook hij zou proberen het ding bij me naar binnen te wurmen, snel mijn veilige, heilige doos in. Hij moest echter alleen maar lachen om mijn slimheid, wat me een warm gevoel gaf. Net zoals die keer toen we eindelijk vrienden waren geworden. In het begin kon ik het niet uitstaan dat mijn vrouwtje weer iemand had gevonden met wie ik haar liefde moest delen. En de afkeer was wederzijds. De man vond mij ook niks. Als ik bovenaan de trap lag te spelen dat ik een leeuw was, die iedere voorbijganger zou bespringen, en hij naar boven kwam lopen, liep hij zonder uitzondering veel te dicht langs me heen, me bijna dwingend om naar hem uit te halen. En dan nijdig worden, hè. Mijn vrouwtje kwam me dan wel te hulp, maar ze begreep niet dat het maar een spelletje was, dat ik helemaal mijn territorium niet wilde verdedigen. Of stiekem toch wel een beetje. Zo kon ik onder het mom van een onschuldig spelletje laten zien wie hier de baas was. In het begin ging het nog wel, want hij was er meestal niet. Dan kwam hij 's avonds laat pas en had ik tot die tijd het rijk alleen. Soms sloeg hij zelfs een nacht over, al kwam dat feest steeds minder vaak voor. Tot op een dag helemaal niet meer, nadat hij allerlei spullen die naar hem roken het huis had binnengebracht. Ik besloot de oude truc van de smetvrezer te proberen, tenslotte had dat uiteindelijk ook zijn vruchten afgeworpen. Het probleem was alleen dat ik nu niet buitengesloten werd. Ik kon gewoon het bed opspringen als ik dat wilde. Dus koos ik de deurtjes uit waarmee de kasten onder het schuine dak afgesloten werden. De beste tijd was, bleek, rond een uur of drie 's nachts. Dan waren ze allebei in een diepe slaap en daardoor niet in staat wakker genoeg te worden om echt pissig te zijn en, want dat was ik nou toevallig net weer niet vergeten, me met water te besproeien. In het begin probeerde de man me te doen stoppen door een beetje rechtop te gaan zitten en naar me te roepen. Ik kapte dan even met mijn werkje, tot hij weer was gaan liggen, en ging weer verder. Dan stond hij op en kwam hij tikkertje met me spelen, wat eigenlijk zo leuk was dat ik na een tijdje alleen nog maar aan de deurtjes ging krabben om hem zijn bed uit te lokken voor een nachtelijk spel. Tegen die tijd was ik eerlijk gezegd ook wel een beetje gewend aan zijn aanwezigheid, al waren we nog altijd geen dikke vrienden. Dat kwam pas later, met het kippenvelincident. Mijn vrouwtje dacht dat mijn nachtelijke krabpartijen betekenden dat ik iets hoorde in die kasten en wilde jagen op wat ik dan ook zou horen. Onzin natuurlijk, maar door dat domme idee van haar ontnam ze me wel het tikkertje spelen met de man. Op een dag haalde ze alle deurtjes uit de kasten, en hing in plaats daarvan stoffen rolgordijnen op. Met hele leuke kralensnoeren! Geen tikkertje, maar die dingen waren ook fantastisch. Ik kon ertegenaan slaan, waarna ze luid rammelend tegen muur en elkaar in allerlei bochten sprongen, zodat ik ze weer kon vangen. Dat duurde precies twee uur. Overbezorgd als altijd ging mijn vrouwtje vervolgens spijkers in de muren naast de rolgordijnen slaan, waarover heen ze de snoeren hing. Niet alleen kon ik er zo nog maar moeilijk bij, ze bewogen nu ook veel minder interessant. Einde van het volgende spel. Ze gunde me ook niks. Het voordeel van die rolgordijnen is wel dat ik nu in die kasten kan, wat een vrolijke klingelklangel geeft als ik dat doe, een geluid dat de slapende man heerlijk irriteert. Er liggen lekker zachte truien en handdoeken, waarop het prima slapen is. Vooral die truien zijn ideaal, omdat ze achter een stapel broeken liggen zodat ik me kan verstoppen als het weer druppeltijd is. Ze hebben er wel wat videobanden op gelegd in de hoop dat ik die niet lekker vind liggen, maar die zijn eenvoudig opzij te schuiven. En mijn poppenbedje staat er. Mijn vrouwtje bewaarde er panty's in, die met zijn allen een aangenaam warm en zacht matras vormden. Toen ik er een paar keer op had liggen slapen, besloot ze dat ik ze mocht houden. Zij kocht wel nieuwe, die ze ergens anders ging bewaren, en bleef tot op de dag van vandaag vol vertedering naar me kijken als ik in dat bedje lag. Mensen zijn zo makkelijk te amuseren. Over bedden gesproken. Waarom vinden mensen het eigenlijk nodig onder zo'n onhandig dekbed te gaan liggen? Ik begrijp best dat ze zonder vacht te kaal zijn om zichzelf warm te houden, maar dan kunnen ze toch wel gewoon in hun kleren gaan slapen? Waarom onder zo'n naar ding kruipen, waarop je nauwelijks houvast hebt als je erop loopt? Het golft en glijdt en is compleet onbetrouwbaar omdat je niet kan zien waar mens ligt, en waar matras. Het liefst loop ik dan ook over de kussens, maar dat kan alleen als de man het niet ziet. Anders moet ik via het voeteneind en dat is wel zacht, daar niet van, maar voordat je een lekker plekje hebt gevonden, moet je toch die onhandige tocht over dat dons ondernemen. Daarom vind ik het ook altijd heerlijk als ze een nieuwe hoes om dat dekbed gaan doen. Dan halen ze dat ding van het bed af, waardoor een enorm groot, wit, schoon stuk laken vrijkomt. Te uitnodigend voor woorden, echt een feest voor het gevoel. Niets aangenamer dan daar dan precies in het midden van te gaan liggen en de zachtheid van de ondergrond in al je spieren en botten te voelen. Lekkerder zelfs dan de panty's, die na al die tijd toch een beetje hard en bobbelig zijn geworden. Maar ik dwaal af. Ik wilde vertellen hoe de man en ik uiteindelijk toch iets hebben gevormd wat op vriendschap lijkt. Als mijn vrouwtje in het begin kippenbouten ging braden, haalde ze van een van beide het vel eraf, omdat de man dat niet zo lekker vond. Toen niet tenminste, tegenwoordig laat ze het er gewoon op zitten. Alleen het vet snijdt ze eruit, en vroeger wat stukjes vlees uit de binnenkant dat ze dan aan mij gaf. Zes stukjes kreeg ik altijd. Tot ze ontdekten dat mijn nieren het niet meer goed deden. Toen mocht ik ineens geen kip meer. Wat wilde ik nu ook weer vertellen? Het lijkt wel of ik de laatste tijd nog vergeetachtiger word dan ik altijd al ben geweest. Het was iets met die kip... Nou ja, in elk geval is de worsteling rond de pillen nu even afgelopen. Ze stoppen het nu in slagroom, alsof ik dat niet door heb. Was een tip van de dierenartsassistente, zei mijn vrouwtje. Heeft dat mens ooit geproefd hoe slagroom puur smaakt? En hoe smerig het wordt als er zo'n pil doorheen is gemengd? De eerste keer trapte ik er nog in ook. Enthousiast als ik was dat ik eindelijk weer eens een lekker extraatje kreeg, viel ik aan op het schoteltje slagroom dat naast mijn bakjes werd gezet. Maar zo tegen het eind van de toef begon de bitterheid door de zoetheid heen te dringen en toen ik het op had, wist ik de smaak thuis te brengen als die van zo'n pil. De avond erop wist ik dat er stukjes pil in verborgen zaten (vervelende dingen zijn altijd beter te onthouden dan fijne), maar ik hoopte nog dat ik eromheen kon likken. Dat lukte ook, even, maar op een gegeven moment werd die hemelse zoetheid weer volkomen verpest en gaf ik het op. Ik raak het nu niet meer aan. Dan maar geen slagroom. Ik begin eerlijk gezegd ook steeds vaker te denken dat het helemaal niet meer hoeft voor me. De misselijkheid laat me nu echt geen moment meer met rust, terwijl ik hele sloten druppels krijg. Slapen helpt een beetje. En soms ga ik een tijd buiten zitten, rustig ver weg van iedereen, in een goot of zo. De vrieskou maakt dat ik de onpasselijkheid even kan vergeten. Ik krijg er natuurlijk wel ontzettend vieze poten van, maar voor uitgebreide waspartijen kan ik ook echt de energie niet meer opbrengen. Wat zou ik ervoor geven me nog een keer jong en fris te voelen. Ook als dat betekent dat ik af en toe klop krijg van katten zoals Brutus. Dat waren nog eens tijden! Sloerie en Brutus waren er gewoon ineens, op een dag. En tussen Sloerie en mij was het liefde op het eerste gezicht. Zij was ook zwart-wit, net als ik, maar met een iets gladdere, kortere vacht, waardoor je elke minuscule beweging van haar prachtspieren kon zien. Natuurlijk was ik tegen die tijd al volkomen vergeten wat je met een poes moest doen, maar daar leek zij ook niet in geïnteresseerd. We waren al helemaal tevreden als we gewoon een beetje in elkaars nabijheid konden zitten, liefst bij mij thuis. Zij en Brutus hadden dezelfde mensen, en daardoor vond Brutus dat Sloerie ook van hem was. Het feit dat zij daar anders over dacht, deed daar niets aan af. Hij kon het dan ook vanzelfsprekend niet hebben dat zij zoveel interesse in mij toonde, en liet dat vanaf dag één met harde klauw merken. We zaten boven, bij het dakraam, op de bank een beetje tegen elkaar aan te hangen, toen we plotseling de dreigende mauw van Brutus hoorde. Hij was dichtbij, we konden hem bijna ruiken en Sloerie wist dat ze te grazen zou worden genomen als ze met mij werd betrapt. Ze sprong soepel en zachtjes van de bank, en sloop naar beneden. Haar staart, en bijna haar geur, waren net verdwenen toen die lelijke bruine dikzak van een Brutus in het dakraam verscheen. Hij zette dreigend zijn haren op en vroeg snauwend waar 'zijn' Sloerie was. Ik, zo onschuldig mogelijk, maakte duidelijk dat ik haar had weggestuurd. Zelf vond ik het een prachtig staaltje acteren, en Brutus was er misschien nog wel ingetrapt ook als mijn vrouwtje het niet allemaal verprutst had. Van beneden kwam ineens de verbijsterde uitroep: "Hé, jij bent Yuri helemaal niet!", waarop Sloerie, door de schrik vergetend waarom ze naar beneden aan het sluipen was, rechtsomkeert maakte en snel terug naar boven kwam. De blikken tussen die twee waren dodelijk en ik was vanaf dat moment officieel Brutus' vijand. Sloerie en ik konden echter niet bij elkaar uit de buurt blijven. Nooit eerder had een andere kat me lief gevonden en ik had er van alles voor over om dat zo te houden. Natuurlijk had ik ook het voordeel dat Brutus dik en dom was. Sloerie wachtte meestal tot hij ergens lag te pitten en zocht me dan op - boven, bij het dakraam, en toen dat wegens de kou dicht was vond zij een plek waar je in en uit het hofje kon komen. Urenlang konden we dicht tegen elkaar aanzitten, genietend van elkaars warmte, of gewoon elkaars aanwezigheid. Helaas vond Brutus het soms nodig binnen afzienbare tijd weer wakker te worden en naar haar op zoek te gaan. Haar heerlijke geur volgend, vond ook hij op een dag de ingang tot het hofje. Ineens stond ik oog in oog met hem, en nog voor ik kon vluchten lag hij bovenop me, met al zijn vet en logheid. Ik sloeg wild om me heen natuurlijk, maar liet hem niet los. Ik had liever dat hij zich op mij stortte dan op Sloerie, die ik uit mijn ooghoek schielijk zag wegvluchten. We vochten zeker vijf minuten, waarbij ik op een gegeven moment een scherpe pijnscheut in mijn zij voelde. Hij had zijn nagel door mijn huid gestoken en trok eraan, de rotzak. Ik bewoog me soepel en snel uit zijn greep en zette het op een lopen naar huis, waar ik zonder aarzelen door mijn luikje sprong. Door de vaart die ik had, schoot het luik daarna hard terug, weer naar buiten, waarop ik een harde mauw vol pijn hoorde. Die sukkel was met zijn domme kop tegen het terugklappende luik aangerend. En dat zou hij na die dag nog vele malen doen. Leren deed hij het nooit. Ik zou me echter nooit meer door hem laten grijpen, dat nam ik me die dag wel voor. Mijn vrouwtje zag dat er iets niet helemaal goed met me was en toen ze mijn huid onderzocht schrok ze, roepend: "Er zit een heel gat in!" Dat was voldoende voor een lange rit naar een dierenarts die niet de onze was. Hij stonk nog erger naar schoonmaak dan die andere en duwde en trok aan mijn wond. Daarna stak hij er een tube in, waardoor het ineens heel koud aanvoelde, maar ook minder pijnlijk. Mijn vrouwtje kreeg die tube mee en moest hem een weeklang iedere dag in het gat steken. Niet prettig, maar lang zo akelig niet als pillen slikken. Toch pikte ik de behandeling niet helemaal. Mensen, met hun logge, zwaaiende, trage ledematen kunnen een onwillige kat nou eenmaal moeilijk tegen zijn zin vasthouden en tegelijkertijd met enge tubes in de weer zijn. Ze had de hulp van de man nodig om het voor elkaar te krijgen. Je moet het ze ook niet te makkelijk maken natuurlijk. Eerlijk gezegd viel dat hele gespuit met die tube best mee. Het verzachtte de pijn juist en bij de geur van de man was ik toen allang op mijn gemak. Dat is zo sinds het kippenvelincident. Vroeger haalde mijn vrouwtje altijd het velletje van een van de kippenbouten, omdat de man dat nog niet lekker vond. Of had ik dat al verteld? Nou je, in ieder geval legde ze het dan apart om het op het laatst mee te braden, zodat zij het op kon eten. Dat vond ik nogal egoïstisch. Zij had al een velletje en ik moest het op dat moment weer eens doen met voer dat naar vis rook, en naar die hele enge grote watervlakte. Dus toen zij achter haar computer zat en naar het scherm keek in plaats van naar mij, sprong ik snel op het aanrecht, pakte het vel, en zette koers naar boven. Natuurlijk werd ik weer gesnapt, net toen ik haar voorbij was. "Vuile dief!" riep ze, maar ik was al halverwege de trap. Ze zou me nooit kunnen inhalen. Dacht ik. Naar boven kijkend, doemde ineens de enorme gestalte van de man op. En achter me hoorde ik mijn vrouwtje naderen. Ik kon geen kant op! Besluiteloos, en in een lichte paniek, stond ik stokstijf, het velletje van de kip beschuldigend in mijn bek, tot de man onbedaarlijk begon te lachen. Hij vond het goed! Met enkele snelle passen was ik boven, waar hij me vastpakte en aan het vel begon te trekken. Hij deed dat echter met zo weinig overtuiging, dat ik diep van binnen wist dat hij het belachelijk vond dat ik het moest afstaan. Het was immers niet zo dat mijn vrouwtje het nu alsnog zou gaan eten. Hij deed het vast om haar een plezier te doen. Met een kort rukje had hij het grootste deel van het vel in zijn vingers, maar een prima portie bleef achter in mijn bek, dat ik snel en met zijn goedkeurende blik wegwerkte. Mijn vrouwtje heeft er niets van gemerkt. Vanaf dat moment was hij enigszins mijn medeplichtige en accepteerden we elkaar. Mijn vrouwtje bleek ook over voldoende liefde te beschikken om ons allebei ons portie te geven, en hij kon om me lachen op momenten dat zij vond dat mij iets verboden moest worden. Male bonding noemen mensen dat, geloof ik. Natuurlijk is het ook weer niet zo dat we echt hele dikke vrienden zijn. We blijven toch een beetje elkaars concurrent en bovendien is hij ontzettend leuk te plagen. Hij kan bijvoorbeeld niet tegen smakkende geluiden. Dat vindt hij zo erg dat hij er zelfs wakker van wordt. En dus ga ik me, als ik vind dat ze lang genoeg hebben geslapen, naast het bed op het kraakplankje zitten wassen. Is ook veel gezelliger dan ergens anders en ik ben er dan van verzekerd dat de man binnen enkele minuten is opgestaan. Meestal. Soms, vooral als het nog donker is buiten, probeert hij me met het water uit zijn beker nat te spetteren. In het begin lukte hem dat ook nog wel eens, want dan zat ik niet op te letten, maar tegenwoordig ben ik ouder en wijzer en maak ik dat ik wegkom als hij zijn hand in de richting van die beker beweegt. Dan is hij dus al wakker en hoef ik alleen nog maar, na een minuutje wachten, opnieuw naast het bed gaan zitten wassen. Succes gegarandeerd. Maar ik doe ook wel eens lieve dingen voor hem. Op een vroege ochtend, vlak na het kippenvelincident vond ik weer een nest met jonge spreeuwen. Ze zaten opnieuw hoog in een boom, die ik zonder resultaat probeerde te beklimmen, toen er plotseling iets langs me heen suisde en met een doffe plof op de grond viel. Ik liet me snel achterwaarts zakken en rook aan het projectiel. Het bleek een jonge spreeuw. Hij had waarschijnlijk wat vroeg proberen te vliegen en zijn vleugels hadden hem nog niet kunnen dragen. Of misschien was hij ook wel door een van de krijsende broertjes of zusjes uit het nest geduwd. Geen idee of spreeuwen ook jaloezie kennen. Hoe dan ook, het beest was dood en ik besloot dat dit een geschikte beloning was voor de man omdat hij me niet had verraden. Met de nog warme prooi in mijn bek ging ik op een holletje naar huis, waar ik de vogel bij de bureaustoel van de man legde, opdat er geen misverstand zou bestaan voor wie dit cadeau was. Een uurtje later, toen hij was opgestaan en aan het werk wilde, stootte hij er met zijn voet tegenaan. Verbaasd keek hij naar wat daar nou lag. Ik mauwde trots, maar hij begreep niet dat het een gift was en durfde hem niet op te eten. Domme mens. De spreeuw belandde in de vuilnisbak. Maar ik zette door. De volgende ochtend viel er weer zo'n sukkel uit het nest, en weer bracht ik hem naar de bureaustoel. Ik had echter nogal lang moeten wachten tot het beestje het nest verliet en was bekaf. En omdat ze toch nog niet aan het werk gingen, besloot ik even snel een tukje te doen. Dat bleek helaas een grotere tuk geworden, en toen ik beneden kwam was de vogel verdwenen. Nu wist ik nog niet of de man de boodschap had begrepen. Voor een derde keer toog ik naar het nest, maar er viel niets uit. Ook de dag erna niet. Pas na drie dagen donderde een derde jonge spreeuw naar beneden en hoewel ik ook nu weer doodmoe was van al dat wachten, bleef ik in de buurt van mijn prooi, net zolang tot de man hem had gevonden. Hij was er niet blij mee, de ondankbare hond. Mijn vrouwtje legde nog uit dat het een cadeautje was en aaide een bedankje, maar de man mopperde alleen maar en verplaatste het lekkere hapje zonder pardon naar de vuilnisbak. Ik heb hem nooit meer iets gegeven. |