Stroomstoring



"Hallo oma." Ik zoen de van 92 jaar zwaartekracht slapgerimpelde wangen. Ze reageert niet. Pas als ik naast haar ben gaan zitten kijkt ze, na een kleinogige blik op mij, in de verte en zegt ze tergend traag tegen de zuster: "En dat is Fedra."
Heel goed, glimlach ik. Zie je wel, al die paniekverhalen over compleet dement en regelmatig in de war waren weer ernstig overdreven. Ik worstel me uit mijn jas, die me in de absurd hoge bejaardentemperatuur dampig benauwt. Oma kijkt me zoekend aan, een beetje valsig misschien ook.
"Wat kom je hier eigenlijk doen?"
"Jou opzoeken, even kijken hoe het met je gaat," antwoord ik opgewekt.
Haar mond knijpt zich samen tot een zuinig, bitter streepje.
"Smoesjes. Dat zijn smoesjes. Sprookjes. En die bestaan niet."
Laat ik maar doen of ik dat niet gehoord heb.
Ik klop haar op de arm, die slobberig en willoos op de leuning van haar stoel hangt, met vloeiend vel aan weerszijden. "Hoe gaat het met je, oma?"
"Met mij?" Ze lijkt verbaasd dat iemand haar die vraag stelt. "Met mij gaat het..." Kennelijk weet ze het zelf niet; ze zwijgt zeker een halve minuut. Ik kijk wat om me heen in de troosteloze zaal, waar hier en daar een grijs permanentje, geïsoleerd van de samenleving, ontspannen zit te wachten tot ook het lichaam ermee ophoudt. Een klein mensje glimlacht gelaten naar me.
"Bedonderd! Ik moet hier weg, naar mijn ouders. Kan ik wat geld van je lenen? Misschien kan ik daar terecht, want anders heb ik geen slaapplaats."
Kortsluiting, constateer ik, terwijl mijn oma onzeker voortwartaalt over haar dochter die een tweede kind zou hebben gekregen, geldgebrek van onduidelijke verwanten en haar familie die haar in de steek laat. Haar hersenen lijken volkomen willekeurig te werken. Hier en daar een vonk, aarzelende elektriciteit die doodvalt halverwege een zin, elektronen die moeizaam tegen de stroom arbitraire woorden opzwemmen. Ik knik maar wat, vraag naar deze of gene, maar geef dat ook maar op omdat ze steeds verwarder lijkt te raken wanneer ze de genoemde namen niet kan plaatsen.
Naarmate ze doorbazelt realiseer ik me dat de afgelopen dertig jaar van haar leven verdwenen zijn, geërodeerd door een heel ander soort stroom in haar hersenen: een kabbelende sloot bejaardentehuizen en beroertes, snoepend van de oevers in het zompige moeras van haar brein.

Het wordt tijd dat ik eens werk maak van die euthanasieverklaring. Een pilletje, drankje of spuitje graag, voor het zo ver met me komt. Ik pas ervoor onvrijwillig in het slijk van een schijnwereld weg te zakken, zeker als dat zo'n akelige is waarin mijn oma zo duidelijk niet kan aarden. En het wordt ook tijd dat ik me eens ga wijden aan mijn eeuwige plan alles uit het leven te halen wat erin zit, gepassioneerd te genieten, voordat ik dat ultieme doel van het bestaan bereik waar zij nu tegenaan kijkt.
Hoe vaak heb ik me, doorgaans een eind gevorderd in de avond en een fles wijn, niet voorgenomen dat ik vanaf morgen alles anders ga doen? Hoe vaak heb ik dat niet gevierd met een uitbundige bel cognac, waarna de kater me de volgende dag belette zelfs maar de energie op te brengen een museum te bezoeken? Leven met volle teugen? Ja, teugen drank en nicotine, een zwakke weerstand tegen de altijd maar voortrazende gedachtestroom, liever verzonnen dan werkelijk, een hele eigen wereld in mijn hoofd, waar alles minstens zo dramatisch kan zijn als in de harde realiteit, maar lekker niet echt: schokkende ellende met een positieve lading, draaiend op een spanningsverschil tussen waan en waar, tussen deprimerende zinloosheid en de illusie van betekenis.
In de puberteit leefde ik nog wel zoals het hoort. Ik experimenteerde breed en veelvuldig, ging regelmatig knetterend op mijn bek en kon nachtenlang stomdronken of stoned discussiëren over al die dingen waar je het toch nooit over eens wordt. Spannend, maar doodvermoeiend en ik ben een beetje lui, dus in plaats van die verre reizen om in het echt te zien wat platte plaatjes beloven, ontdekte ik de wondere wereld van de verhalen en ging ik in een hoekje zitten lezen. In plaats van mijn vermogen groots te genieten helemaal uit te buiten, neem ik genoegen met een wijntje en een sigaret. En intellectueel uitdagende vriendschappen onderhouden? Vergeet het maar. Liever verkwansel ik mijn zondag door te gaan zitten luisteren naar de thrillerwereld die het demente hoofd van mijn oma heeft gekraakt.
Ze probeert op te staan, maar heeft niet genoeg kracht, dus kijkt ze mij aan, weer met die half valse blik. Verwijtend misschien ook.
"Zullen we dan nu maar gaan?" bitst ze.
"Gaan? Waar naartoe?"
Ze twijfelt even. Dan vuurt een willekeurige serie neuronen af: "Naar huis natuurlijk. Onderdak zoeken voor mijn dochters." Ik onderdruk een zucht.
"Oma, je bent al thuis. Je hebt hier een kamer. En met je dochters gaat het heel goed, daar hoef je je geen zorgen over te maken." Ik wil haar hand aanraken om haar gerust te stellen, maar kan me niet meer zetten tot lichamelijk contact met dit aankomend lijk.
Wilde paniek bestormt haar ogen.
"Ja, want autorijden lukt niet meer zo goed natuurlijk. En Fedra..."
"Ja?"
"Díe heb ik al in geen jaren meer gezien. En daar begrijp ik niets van." Haar mond verbijt zich weer in bitterheid en ze probeert opnieuw vruchteloos overeind te komen, mompelend: "Ik denk dat we nu echt moeten gaan hoor, want anders..."
Ik sta op, doe mijn jas aan en roep een zuster.
"Nou, ík ga, oma. Drink jij nog maar een kopje thee." Ze zakt terug in haar stoel, staart onzeker voor zich uit.
"Maar hoe laat gaat dan de ... ?" hoor ik haar aan de zuster vragen, terwijl ik me bliksemsnel uit de voeten maak; naar huis, naar een koude borrel als beloning, en een goed boek om het definitieve doorslaan van haar stoppen te verdrinken in de stroom der vergetelheid.



Gepubliceerd in de bundel 'Mijn geschiedenis' van uitgeverij Kontrast n.a.v. een verhalenwedstrijd