Verloren



In de goot voor mijn huis ligt een donkerblauwe herenschoen, een chique model met gaatjes en een licht beschadigde neus. Ik raap hem op, en ga dan snel weer naar binnen omdat een vrouw van het Leger des Heils nabij komt met de kloeke pas van iemand die zich beschermd weet. Ze zal wel op weg zijn naar het winkelcentrum aan het einde van de straat. Geloof vult de maag niet, hooguit het hart.
Aan de zijkant van de schoen zit een vochtige vlek, daar waar hij contact heeft gemaakt met de goot. Verder ziet hij er nog prima bruikbaar uit. Hoe is dat ding hier beland? Wie verliest er nou een schoen? Dat peuters met hun poppige pootjes zoiets van hun voeten kunnen laten glijden wil ik nog wel geloven. Ik heb wel veertien kinderschoenen in de logeerkamer staan. Die ruimte wordt toch niet gebruikt, want er is geen mens die mij met een samenzijn wil plezieren.
Een van die veertien schoentjes is roze en zal dus wel van een meisje zijn geweest. Gloednieuw, nooit op gelopen, omdat het kind natuurlijk dag in dag uit werd voortgereden in zo'n driewielige, aërodynamisch uitgevoerde buggy. Ze liet het roze schoentje aan haar voeten bungelen en keek kraaiend toe hoe het op het ritme van de stappen van haar moeder heen en weer schommelde. Tot ze haar tenen liet zakken en het schoentje viel, zacht buitelend tussen de twee achterste wieltjes van de buggy. Pas bij het winkelcentrum ontdekte de moeder het verlies. Ja, zo moet het gegaan zijn. Teruglopen was te veel moeite. In deze tijden worden dan eenvoudig nieuwe roze schoentjes aangeschaft.
Maar een volwassen man verliest zijn schoen toch niet? Ik zet hem bij mijn verzameling in de logeerkamer, naast het afgetrapte instapmodel dat ik verleden maand vond. Misschien dat de eigenaar het chique gaatjesexemplaar al mist en de route gaat herlopen, speurend over het asfalt in de hoop het paar weer samen te kunnen brengen, zijn basis te hervinden.
Ik denk dat ik degene die de instapschoen heeft verloren ook zo heb zien lopen. Hij had rode ogen, waarmee hij beurtelings ongedurig voor zich uit en naar de grond keek. Jong was hij nog, maar iets in zijn gang had de lusteloosheid van een oude man. Een kater misschien, de avond ervoor met vrienden op pad geweest, te veel bier gedronken om te laten zien dat hij niet voor de anderen onderdeed. En toen achterop een slingerende fiets terug naar huis, waarbij de verslapte stof van de schoen van zijn hiel gleed. In zijn dronkenschap bemerkte hij de nachtelijke kou aan zijn voet niet, maar de volgende morgen, met een misselijk gevoel in zijn maag, werd zijn slordigheid hem duidelijk. Op zijn sportschoenen is hij toen gaan zoeken. Ik sprak hem niet aan, deed niet de deur open om vriendelijk te vragen of hij misschien iets zocht. Mensen houden niet van mij, dus ik bleef maar liever veilig binnen. Je weet ook nooit of zo'n jongen toevallig agressieve katers heeft.
Ik heb ook eens een pump gevonden. Dat was na die nacht waarin ik wakker werd van luidruchtig geruzie buiten. Ondanks de angst dat ik zou worden opgemerkt heb ik door een kiertje van mijn gordijnen gezien wat er gebeurde: de overbuurvrouw stond als een woeste koe te loeien naar haar man. Ze had een grote boodschappentas bij zich, die ze na een laatste verwijt zo hard over haar schouder zwaaide dat de middelpuntvliedende kracht haar bijna uit haar evenwicht slingerde. Daarna liep ze weg. Waarschijnlijk is die pump uit haar tas gevallen.
Ik heb haar nooit meer gezien, dus de schoen is nog altijd in mijn bezit. Natuurlijk zou ik hem aan de overbuurman kunnen geven, maar dat durf ik niet. En wat zou hij er ook aan hebben? Zijn voeten zijn veel te groot en hij is, net als haar schoen, net als ik, voor altijd gescheiden.
In mijn plezierig onwetend verleden had ik ook een vrouw. Alhoewel, vrouw is misschien niet het juiste woord. We waren niet getrouwd, maar onze relatie voelde best wel huwelijkachtig. Voor mij althans, want zij was op een dag ineens verdwenen. 'Ik kan er niet meer tegen. Je stinkt altijd naar zweet,' stond op een briefje dat ze had achtergelaten. Vanaf dat moment veranderde alles in dit onplezierig wetend heden. Ik durfde niet meer onder de mensen te komen, bang hun van walging vertrokken gezichten te moeten doorstaan. Het is al erg genoeg dat ik af en toe boodschappen moet doen, winkelmeisjes moet confronteren met mijn afschuwelijke geur en de moeder van het meisje met de roze schoentjes ongewild in een wolk zweetlucht dwing.
Ik ruik in de chique herenschoen. Niets. Geen spoor van een afstotend aroma. Was ik maar die man. Ik was veel zuiniger geweest, had deze schoen nooit verloren. Hoe heeft hij dat toch voor elkaar gekregen? De veters zijn los, maar dit model glijdt toch niet zomaar van je af, laat je niet moeiteloos in de steek. Als déze man komt zoeken ga ik hem echt teruggeven.

Het is alweer avond. De hele middag heb ik zitten wachten op de eigenaar van de chique schoen, steeds zekerder wetend dat hij me verschrikkelijk dankbaar zou zijn, mijn geur onverschillig weg zou wuiven en een echte vriend zou worden, omdat ik zijn schoenen had herenigd. Maar hij kwam niet. Misschien moest hij werken en had hij geen tijd om overdag op zoek te gaan. Misschien komt hij zo. Ik heb de lichten in de kamer uitgelaten zodat niemand mij hier kan zien zitten, terwijl ik hem wel zal zien. De avond wordt goed verlicht door de gelige straatlampen.
Er komt iemand aangelopen, maar het is niet een welverzorgde heer op zoek naar zijn licht beschadigde gaatjesschoen. Het is de heilsoldate van eerder op de dag en ze draagt iets: een grote zak, propvol pokdalige uitstulpsels. Ze sjouwt er onhandig mee, krijgt moeilijk grip op de gladde randen. Als ze voor mijn huis langsloopt kan ik lezen wat er op de zak staat: "Hier uw oude schoenen, dank u." Met een korte ruk probeert ze meer plastic in haar grissende vingers te krijgen en door dat gebaar buitelt een vriendelijke sandaal de zak uit. Ze merkt het niet.