Mobiel



Eigenlijk was hij op weg naar huis. Of wat daarvoor moest doorgaan. Het kale flatje dat hij, particulier en dus veel te duur, huurde sinds zijn vrouw hem wegens een uitglijertje de deur had gewezen was niet echt een thuis voor Koen. Maar het was de enige plek waar hij naartoe kon als het werk erop zat.
In de tram had hij een invalideplekje weten te bemachtigen, waar hij, zijn aktetas op zijn schoot geklemd, probeerde niet te luisteren naar alle ringtones om hem heen, en al helemaal niet naar het daaropvolgende gebabbel. Dat had iets onbetamelijks, andermans gesprek afluisteren, iets als het openen van andermans post. Maar ja, dan moesten die mensen ook maar niet in het openbaar gaan zitten bellen, dacht hij, terwijl hij een jonge vrouw monsterde die een nauwelijks zichtbaar mobieltje tegen haar oor klemde.
"Ja joh, ik zit nu in de tram. Ben over vijftien minuten bij je." Ze luisterde naar een mededeling aan de andere kant die niet een kwartiertje kon wachten, en knikte.
Schuin tegenover haar zat een puber met recalcitrant haar in een daverend tempo iets op zijn telefoon in te tikken. Enkele seconden later piepte zijn toestel. Hij keek naar het display, waarop hij hardop grinnikte. En weer schoot de duim over de minuscule toetsjes.
Koen begon zich een beetje ongemakkelijk te voelen. Werkelijk iedereen zat of stond te communiceren met anderen, behalve hijzelf. Hij had nooit zo'n GSM gewild, was van mening dat constante bereikbaarheid nergens voor nodig was. Maar nu hij omringd werd door mensen die kennelijk zo belangrijk waren dat ze nu, onmiddellijk, zonder uitstel gebeld moesten kunnen worden, kreeg hij het gevoel dat hij niet een volwaardig mens was. Hij hoorde er niet bij. Tot hij een man zag staan van zijn eigen leeftijd. Hij hield zich moeizaam staande, zich vasthoudend aan een buis. Koen voelde een diepe verbondenheid met hem. Die man belde niet.
Nog niet.
Uit zijn binnenzak klonken de eerste metalen tonen van Vivaldi's Herfst.
"Hé! Waar zit je?"
Koen keek naar buiten. Het werd al donker en de reizigers in de tram werden weerspiegeld in de ramen. Tegenover hem zat ook een man te bellen. Hij had een Arabisch uiterlijk en sprak slecht verstaanbaar Nederlands met een accent dat de g en de z zwaar aanzette. Koen spitste zijn oren. Had hij daar nou echt het woord 'bom' gehoord?
Ja! De man herhaalde het, knikkend en ernstig kijkend naar het grote niets waar elke beller ongefocust naar staart: "Ja, oké. De bom. Half acht." De Arabier drukte de telefoon uit en merkte dat Koen via het raam naar hem zat te loeren. Wat nerveus begon hij aan zijn baardje te frunniken, zijn behaarde handen rusteloos. Hij droeg een glimmend gepoetste trouwring.
Koen keek weg, alsof de blikken van hem en de man tegenover hem slechts toevallig hadden gekruist. Toch zag hij uit zijn ooghoek hoe de hand met de ring omhoog bewoog om op de stopknop te drukken. Ze waren nog lang niet in de buurt van wat voor thuis moest doorgaan, maar Koen nam een besluit. Hij stond op nog voordat de Arabier dat deed, met kloppend hart, en wrong zich in de richting van de deur. De tram kwam met een licht schokje tot stilstand. Nog terwijl de deuren openden gleed de Arabier met opvallende soepelheid langs hem heen en zette direct koers in de richting van een slecht verlichte steeg. Koen volgde, op voldoende afstand. Af en toe moest hij zijn pas versnellen om de man bij te houden en elke keer als hij dat deed voelde hij een scheut adrenaline door zijn buikholte buitelen. Een bom, daar had de man het over gehad. En hier liep hij, saaie piet, als held de terrorist te schaduwen! Zou het niet verstandiger zijn gewoon de politie te bellen? Maar hij mocht die man niet uit het oog verliezen. En hij had geen mobieltje.
De Arabier voor hem sloeg rechtsaf, een hoek om en Koen verhoogde zijn tempo nog eens. Hij hijgde. Voor een held had hij bepaald geen goede conditie.
Een vrouw met een grote rottweiler kwam hen tegemoet. Zij en de hond namen het grootste deel van de stoep in en de Arabier moest zich een kwartslag keren om haar te kunnen passeren. Hij had Koen in die houding makkelijk kunnen zien, had alleen zijn hoofd maar even hoeven draaien. Gelukkig liet hij dat achterwege.
Toen de vrouw vlakbij hem was trok ze de rottweiler dichter naar zich toe, opdat Koen eenvoudig langs haar zou kunnen lopen. Hij probeerde haar blik te vangen, zodat hij haar kon waarschuwen, maar ze bleef strak voor zich uit kijken, met een nogal chagrijnig gezicht. Koen versnelde zijn pas weer omdat de Arabier een volgende hoek was omgeslagen en liet de vrouw achter zich. Wat had hij dan willen doen? Hij had zijn hand aan zijn gezicht kunnen houden, duim en pink gestrekt tussen oor en mond, maar wat als zij hardop had geantwoord? Ze zou zijn aanwezigheid alleen maar verraden hebben.
Koen sloeg nu ook de hoek om en zag net hoe de Arabier een hand in de zak van zijn jas stak en er iets uit trok. Van deze afstand kon hij niet zien wat het was. Het paste in de hand van de man, en toen hij het in een vuilnisbak langs de rand van de stoep gooide - veel te achteloos, met verdachte nonchalance - zag Koen in het licht van een straatlamp dat het rood en wit gekleurd was. Hij keek op zijn horloge. Vijf voor half acht. Was dit de bom? Maar waarom dan in een verlaten straat? Hij stond stil, twijfelend, en keek hoe de Arabier de straat schuin overstak en linksaf sloeg. Met kloppend hard liep Koen op de vuilnisbak af. Hij moest iets doen, mensen waarschuwen, maar dan moest hij wel eerst zeker weten dat dit de bom was die de terrorist zou laten afgaan. Met gevaar voor eigen leven overbrugde hij de laatste meters, langzaam en behoedzaam nu, een meter nog, vijftig centimeter. Hij bleef staan en boog zijn bovenlichaam naar voren om in de bak te kijken. Bovenop een berg ongeordende rommel lag een verfrommeld sigarettenpakje, rood-wit. Koens horloge wees nu drie voor half acht aan. Heel voorzichtig pakte hij het pakje op, tussen duim en wijsvinger. Het woog bijna niets. Langzaam lichtte hij het gekreukte dekseltje op. Leeg. Het pakje was leeg! Dit was de bom helemaal niet!
Hij zette het op een lopen naar de hoek waaromheen de Arabier was verdwenen. Als hij de man nu maar niet uit het oog verloren had. Desnoods zou hij met een snoekduik voorkomen dat die griezel zich opblies, of misschien was een stevige vuistslag wel voldoende. Zou dat pijnlijk zijn? Hij had zoiets nog nooit gedaan.
Hijgend en zwetend kwam Koen direct voorbij de hoek tot stilstand. Zo'n twintig meter verderop, in een minuscuul quasi-parkje, stond de Arabier. Onder een boom. Tegen hem aangeplakt stond een blonde vrouw. Ze zoenden elkaar innig.
Er begon iets bij Koen te dagen.
In wandeltempo liep hij op het stel onder de boom toe, passeerde hen, hopend dat zijn gehijg niet te horen zou zijn, en bekeek onderwijl de handen van de vrouw die stevig om het middel van de Arabier waren geslagen. Zij droeg geen ring.