De val | |
Ze raakte de plavuizen tussen bank en koffietafel voor ze goed en wel besefte dat ze aan het vallen was, en ze voelde de pijn in haar heup pas toen het tot haar doordrong dat ze op de grond lag. Alsof tijd en waarneming tijdens de smak even waren opgeschud. Lichtelijk verbaasd keek ze naar de sigaret, die ze onbeschadigd tussen haar vingers klemde. Ze kreunde luid toen ze tevergeefs probeerde op te staan. "Ik geloof dat ik een probleem heb, jongens," zei ze hardop, waarna ze met moeite de voet aan het uiteinde van het goede been loshaakte uit het kleed waarover ze gestruikeld was. Dat kleed. Dat dure, gezellige Perzische kleed. Dat rotding. "Je kunt dat beter weghalen daar," had Mia een paar weken geleden georakeld. "Straks struikel je erover, breek je iets en dan lig je hier in je eentje. Je bent al een dagje ouder, en dan worden je botten broos, hè." De buurvrouw. Ze moest Mia bellen. Die zou hier in twee minuten kunnen zijn. Ze keek omhoog naar de telefoon, die bovenop de stereo-installatie naast de bank stond. Ze móest proberen dat ding te pakken te krijgen. Eerst maar even op de billen draaien, dan kan ik me makkelijker bewegen, dacht ze. Ze zette haar handen op de grond achter zich, de sigaret met een inmiddels enorme, hangende askegel nog altijd tussen haar vingers, en begon van de gebroken heup af te draaien. Nu liet ze de sigaret los, en het bewustzijn eveneens, zo heftig was de verscheurende pijn die tijdens de beweging door haar lichaam snerpte. Als ik nou die mobiele telefoon maar bij me had gedragen, was het eerste wat ze dacht toen ze weer bijkwam. Het was een cadeautje geweest van haar zoons, die allebei met vrouw en kinderen in een vergelegen stad onwetend lagen te slapen. "Kijk," had de oudste uitgelegd, "ik heb onze nummers onder 1 en 2 geprogrammeerd, en de huisarts onder 3. Zo roep je ze op." Hij deed iets onduidelijks met de minuscule knopjes en zijn naam verscheen in het display. "Neem hem mee als je het bos ingaat met de honden. Als je dan wat overkomt, kun je altijd bellen." Ze had het miniatuurapparaatje met een mengeling van onwil en dankbaarheid aangenomen en nam hem braaf met zich mee als ze de deur uitging. Totdat hij steeds onvoorstelbaar irritant begon te piepen en ze hem in de slaapkamer aan de oplader plugde. Daar lag hij nog steeds, onbereikbaar. Het was net na middernacht, zag ze op de staande klok die met een geruststellende tik de tijd voortstuwde. Er zat niets anders op dan wachten op hulp, en bij wachten hoorde een sigaret. De opgebrande peuk die ze tijdens de val had gerookt had een zwart gaatje achtergelaten in het kleed. Van de koffietafel waarnaast ze lag, kon ze met moeite tastend een nog bijna vol pakje rookwaar en een aansteker grijpen, maar de asbak stond verder naar het midden om te voorkomen dat enthousiaste hondenstaarten peuken en as door de kamer zouden zwiepen. Proberen te gaan zitten durfde ze niet en de vlam van de aansteker wilde met alle geweld recht omhoog, maar uiteindelijk wist ze een sigaret aan te steken door haar nek zo ver mogelijk te strekken. Ze ademde de rook diep in en merkte nu pas dat wat door de nicotine verdreven werd angst was. Toen er drie uitgedrukte peuken op een groef tussen de plavuizen lagen, besloot ze dat ze toch echt iets moest ondernemen. De vloer was hard, haar ledematen werden stram en vanuit de gang kwam de verdachte geur van hondenpoep. Ze was van plan geweest de dieren uit te gaan laten toen ze viel. Misschien kon ze voorzichtig naar de telefoon schuiven, leunend op de goede heup. Mia zou het vast wel begrijpen als ze midden in de nacht belde. Onhandig zette ze haar handen naast wat ooit een slanke taille was geweest en duwde ze met haar armen haar onderlijf wat naar beneden. Tot zover ging het goed. Het was wel pijnlijk, maar niet zo erg als de draai die ze eerder had gemaakt. En ook niet zo ondraagbaar als de zinderende scheut die door haar heup schoot toen haar handen even de vloer loslieten zodat ze ze weer wat hoger kon plaatsen. De honden blaften haar wakker. De kleine zette in met een felle serie woedende keffen, waarna de grote met zijn zware bas bijviel. Ze richtten zich allebei op de voordeur, vanwaar een bescheiden bel klonk. Opgelucht richtte ze zich even een beetje op, de pijn verbijtend. Het was licht buiten en de zon viel in felle stralen naar binnen, de andere kant van de kamer geel oplichtend. Waar zij lag, was het relatief donker. Door het raampje naast de deur zag ze het gezicht van de man die de door haar bestelde wijn altijd kwam brengen. Ze bracht haar linkerarm naar boven, zich realiserend dat hij haar vanuit het helle buitenlicht niet zou zien, maar misschien een beweging wel. Nog eens ging de bel, wat een nieuw blafsalvo veroorzaakte. Daarna hoorde ze geschuifel rond het huis en liet ze haar arm moedeloos weer op de grond zakken. Bij geen gehoor zette die man de doos altijd achter het huis. Toen de honden weer zwegen, rook ze naast de geur van poep ineens ook die van afval, als was de stank niet boven het lawaai uitgekomen. De snelle trippende poten van de kleine kwamen haar richting uit, haar blikveld binnen, met daarboven een triomfantelijke bek waarin een afgekloven karbonadebot hing. De grote sukkelde er wat achteraan, deed een halfslachtige uithaal naar de buit en slofte terug de keuken in toen hij een valse grom ontmoette. Ze had zin in een sigaret, maar nog meer had ze dorst, en roken zou dat alleen maar verergeren. Water was onbereikbaar, maar misschien kon ze bij de fles wijn op het bijzettafeltje naast de bank? Ze zou weer moeten schuiven en de pijn die daarmee gepaard ging was op dit moment precies het enige waar ze bang voor was. Eerst maar even liggen, een plan bedenken, of hopen dat er iemand langs kwam die haar kon helpen. Wat voor dag was het vandaag? Gisteren had de wijn wel gesmaakt, dus dan had ze vandaag vrij. Zaterdag? Nee. Vrijdag. Ze schrok wakker bij de gedachte dat ze wat moest doen. Werken! Voor ze wist wat ze deed zat ze rechtop en direct lag ze weer door de onmenselijke pijn die haar beweging veroorzaakt had. Het werk. Ze zouden haar vanzelf missen en gaan bellen. En als ze niet opnam, en ook niet kwam opdagen, zouden ze wel iemand langs haar huis sturen. Opeens, en voor het eerst sinds de val, welden er grote, machteloze tranen in haar ogen. Ze zouden haar niet missen. Ze had vrij vandaag. Niet eerder dan maandag zou iemand begrijpen dat er iets aan de hand was. Maandag. Drie dagen verder. En ze werd nu al gek van de dorst. En honger. Honger had ze ook. Een schrapende pijn, meer een kietel in vergelijking met de marteling die haar heup haar aandeed, in haar goede been deed haar het hoofd een beetje optillen om te kijken. De kleine hond had de karbonade in de steek gelaten en stond nu, voorzichtig bijna, in haar enkel te bijten. Wilde hij haar zo bewegen tot opstaan? Zij zouden ook wel honger hebben nu; zo'n karbonadebot was weinig voedzaam. Ze schopte haar been tussen de tanden van de hond vandaan. Het beest gromde, liet los en drentelde weg naar de keuken. Zijn beweging veroorzaakte een zacht briesje dat een prop haar en stof in de hoek zachtjes heen en weer wiegde. Ze keek nog eens naar de fles wijn. Het was dan wel vroeg, maar dit was een noodgeval. Een slokje, misschien twee; als ze zuinig deed kon ze ermee doen tot maandag. Heel langzaam duwde ze haar bovenlichaam een beetje overeind terwijl ze de gewonde heup plat op de grond liet liggen. Nog langzamer schoof ze een stukje naar het bijzettafeltje, steunend op haar ellebogen die ze om en om verplaatste. Zo ging het goed, ze was er. Ze strekte een hand uit, raakte met de punt van haar middelvinger net het glas van de fles, maar kreeg er geen grip op. Het tafeltje was te diep, of zij lag te laag. Ze moest rechter op gaan zitten. Dat had ik niet moeten doen, dacht ze vlak voor ze weer flauwviel. De telefoon ging. Ze keek er machteloos naar, alsof ze het ding met een smekende blik kon bewegen zich naar haar toe te verplaatsen. Drie keer was hij al overgegaan. Al zou ze de stereotoren op tijd bereiken, dan nog zou ze er niet bij kunnen om op te nemen. Vijf keer. Ze keek op de klok. Zes uur, het tijdstip waarop haar oudste zoon altijd belde. Zou hij ongerust worden als ze niet opnam? Een achtste, halve rinkel. Stilte. Een tijdje terug had hij Mia gebeld toen ze niet opnam, terwijl zij juist bij haar buurvrouw een wijntje zat te drinken. Ze had wat pissig gereageerd, gezegd dat ze niet in zeven sloten tegelijk liep, en soms gewoon ergens anders was. Hij zou het hooguit later nog eens proberen en dan besluiten dat ze iets leuks aan het doen was. Maar zo leuk was dit niet, een beetje liggen wachten op de plavuizen. Ze waren verwarmd weliswaar, maar minder stram werd ze er niet van. Als ze nou maar niet zo'n dorst had. Ze keek nog eens omhoog naar de fles. Hoe lang kon een mens zonder drinken? Een week? Een paar dagen? Ze moest die fles te pakken zien te krijgen, de pijn verbijten, zorgen dat ze wakker bleef. Moeizaam duwde ze zich weer overeind, langzamer nu dan eerder, en toen de scheuten door haar lijf begonnen te trekken, kauwde ze op haar kiezen om de pijn te vermorzelen. Haar arm zo veel mogelijk strekkend raakte ze het glas, haar vingers konden er net omheen, de fles naar zich toe trekken, hebbes. Opgelucht trok ze de hand met de wijn naar zich toe en wilde ze weer gaan liggen, te snel, te bruusk. Als een donkere, ruwe deken sloeg de pijn op haar neer. Ze lag in een grote plas bloed, die, toen ze er een likje van nam, vreemd genoeg naar wijn smaakte. Ooit had ze ergens gelezen dat ridders in de middeleeuwen paardenbloed dronken om de dorst te lessen. Zou het ook helpen als ze haar eigen bloed nuttigde? Ze doopte haar hand in het vocht en likte de palm schoon, gulzig, als een hond. Waar waren die beesten eigenlijk? Ze hoorde ze niet. Wel klonk overal het gescharrel van de kippen die ze had weggedaan. Waarom ze teruggekomen waren was haar niet duidelijk, maar dit was ook niet het moment om daarover na te denken. Ze vermande zich, moest zien dat ze die telefoon te pakken kreeg en duwde zich langzaam weer op haar ellebogen. Als ze draaide zou ze met de rug tegen de stereotoren kunnen leunen en misschien achterwaarts naar dat ding kunnen tasten. Heel voorzichtig, en daardoor trager dan een luie slak, bewoog ze haar lichaam naar voren tot ze net voorbij de tafel was, waar ze, de pijn luid verwensend, nog langzamer om haar as kon draaien. Toen ze eindelijk in de gewenste richting op haar trillende armen hing, kwam de dorst te pijn overstemmen, maar de rode plas was nu te ver weg. De telefoon ook. Ze was te moe, haar spieren moesten eerst rusten, dus liet ze zich voorzichtig weer op de harde plavuizen zakken. In haar blikveld, dat een stuk plafond toonde dat nodig eens geschilderd moest worden, verscheen de enorme kop van de grote hond. Kwijl hing in de hoek van zijn bek en werd langzaam gelokt door de zwaartekracht. Ze kreunde, duwde het beest weg, meende moordzuchtigheid in zijn hongerige ogen te hebben gelezen. De telefoon ging weer. Nu moest ze even haar best doen, echt haar best, dit kon niet langer zo voortduren. Ze hees zich weer een beetje overeind, schoof achterwaarts, elleboog voor elleboog richting de stereotoren, tot ze er met een schouder tegenaan bonkte. Geschrokken keek ze omhoog, haar nek bijna verdraaiend, naar het rinkelende apparaat dat door de plotselinge beweging van zijn ondergrond stond te wankelen. Haar hart klopte als een razende. Ze moest zien dat ze het ding te pakken kreeg. Hij was al zeker vier keer overgegaan. "Als hij nou maar even geduld heeft," mompelde ze terwijl ze een arm naar boven strekte en rugwaarts boog, haar vingers blind tastend in een droog niets. Ze kon er niet bij. Het enige wat ze raakte was het snoer waarmee ze met de wereld verbonden was. Dat greep ze, terwijl de zesde rinkel door het huis schelde. Een kort rukje bracht het moedertoestel wat dichter naar haar toe, maar ze hoorde al voordat ze het zag dat de telefoon zelf weer aan het wankelen was gebracht, heftiger nu dan eerder. Hij helde naar voren, naar achteren, nog wat verder naar haar toe, toen van haar af, en weer haar kant op. Ze concentreerde zich, moest zien het ding te vangen want anders zou hij kapot vallen. Nog één wiebel maakte de telefoon en alsof hij enthousiast uit zijn basis sprong kukelde hij aan de andere kant van stereotoren en bank op de harde plavuizen. Na een korte metalige tik zweeg hij. Moedeloos zakte ze opzij tegen de zachte bank. Toen ze uren later haar ogen weer opende begon het te schemeren buiten. Ze had moeite met focussen, maar meende in de hoek de beweging te zien van het kleine hondje. Of nee, dan zou ze er wit bij moeten waarnemen en dit was meer een grijsbruinig gebeuren. Te klein ook. Een eekhoorntje misschien. Of een rat, die op de geur van poep en afval was afgekomen. Ze haatte ratten, was er eigenlijk ook een beetje bang voor. Dorst, onvoorstelbare, vreselijke dorst. Langzaam en met grote inspanning verliet ze de tedere kussens van de bank en schoof ze zichzelf terug naar de rode plas, waar ze nog wat palmpjes bloed likte. Hoe lang had ze geslapen? Lang genoeg om het al zondagavond te laten zijn? Nee, dat zou betekenen dat ze meer dan vierentwintig uur onder zeil was geweest, onmogelijk. Toch? Ze moest zorgen dat ze wakker bleef, dat haar bewustzijn haar niet ontglipte. Plotseling realiseerde ze zich met een schok dat ze hier wel dood kon gaan. Nog een likje. Het smaakte echt bijna naar wijn, alleen iets stoffiger. Wat voor gekke lichtvlek zat daar nou op de muur? Een ronde helheid die bewoog. En niet zomaar een beetje, nee, nu ze erop lette volgde de vlek haar ogen. Ze probeerde het een paar keer, wist niet of ze dit nu eng of interessant moest vinden. Ogen naar links, en de vlek volgde. Ogen naar boven, en hop, daar ging hij ook omhoog. Opeens was hij verdwenen, zomaar. Ze keek om zich heen. Zou ze proberen om de bank heen te komen om te kijken of de telefoon de val had overleefd? Het was een enorm eind schuiven, misschien in totaal wel drie meter. En ze was al zo moe, zo ontzettend moe. Als ze nou eerst even ging liggen dan had ze straks misschien de energie wel weer. Een helse pijn in haar dij wekte haar. Haar hand lag op de zere plek en toen ze die verwijderde zag ze dat er een heel stuk been ontbrak. In plaats daarvan gaapte nu een bloedige leegte. Nu begreep ze ook waarom ze het middelpunt was van een grote plas bloed. In paniek keek ze op, naar de rat, die nog steeds in de hoek zat en haar met koude, gemene oogjes monsterde. Het beest begon te grommen, blafte zelfs, met oorverdovend kabaal, maar na het luide gerinkel van glas werd het weer even stil. Ze sloot haar ogen, glimlachte, wist dat er nu eindelijk hulp kwam. Omdat dit soort afgelegen huizen behalve valse ratten nogal eens overvallers uitdaagden, hield ze altijd alles op slot. Dus hadden ze iets moeten forceren, maar dat gaf niets. De kippen scharrelden luidruchtig rond en ze rook de geur van gebakken ei met spek, knapperig knisperend in een pan. Wat waren die honden stil ineens. Zouden de medici ze iets gegeven hebben? Een stuk vlees met een slaapmiddel? Die mensen kwamen natuurlijk op de gekste plaatsen en een waaks huisdier zou het wel eens niet kunnen hebben dat er een wildvreemde aan hun baasje zat. Er werd druk door het huis geschuifeld, achter de kippen aan, zoekend naar het slachtoffer. Ze wilde wel roepen, maar haar strot was zo droog dat er alleen maar een sneu kermpje uitkwam. Ze gaf de hoop niet op, wist zeker dat ze haar uiteindelijk wel zouden vinden. Intussen kon ze rustig blijven liggen, straks zou ze wel opstaan, de honden uitlaten, de kippen voeren en dan gauw weer in bed een krantje lezen. Sigaretje erbij, niets lekkerder dan een luie zondagmorgen drijvend op de geur van verse koffie en hondenpoep. Vanuit de slaapkamer klonk het haastig schuiven en sluiten van de laden van de kleerkast. Had ze die open laten staan? Nee, ze zochten natuurlijk een nachthemd voor in het ziekenhuis, waar ze haar oudste zoon zou gaan baren. Hij was nogal laat en de gynaecoloog vond dat hij nu lang genoeg had gewacht. Daarom had hij waarschijnlijk ook proberen te bellen; om te zeggen dat hij wat later kwam. Zo'n verantwoordelijke jongen toch. Dat kreng met wie hij getrouwd was mocht zich wel in haar handjes knijpen, goed wassen ook, dat leerde ze die kinderen maar niet, handjes wassen na het plassen, altijd liepen ze rond met besmeurde vingers en snot onder hun neusjes, van die gore groene bellenblaas, iemand zou ze eens wat hulp bij de opvoeding moeten bieden, niet zij, zij was er te veel bij betrokken dus ze zouden niets van haar aannemen, nee, iemand van buiten, hulp van buiten, dat is wat ze nodig had. Hoor, daar kwamen ze eindelijk, naderende voetstappen, steeds dichterbij. Er werd een beetje tegen haar arm geduwd en ze wilde haar redder aankijken, maar haar oogleden weigerden dienst. In de verte hoorde ze iemand iets zeggen over de staande klok, waarna het dichterbij klonk: "Ja, neem die ook maar mee. Deze hier zal hem toch niet meer missen." Na een kort gekraak en het dichtslaan van de deur werd het ineens weer stil in huis. Zelfs de tijd weigerde nog kalmpjes voort te tikken. Alleen het geschuifel van de hongerige, ontwakende honden was hoorbaar achter de poeplucht. | |