De grens overschreden



Hij verplaatste de volle Aldi-tas van de ene naar de andere hand en opende en sloot de vrijgekomen vingers een paar keer in de hoop dat het bloed, dat die knul hem onder de nagels vandaan had gehaald, er weer naartoe wilde stromen. Niet omkijken, dacht hij, terwijl hij moedig doorsjokte en een laatste kledder spuug van zijn wang veegde. Pas toen hij een hoek omging, durfde hij zijn hoofd een beetje te draaien om vast te stellen dat hij niet gevolgd werd.
Zijn oude benen besloten plotseling tot een acute Parkinson. Hij liet zich op een bankje onder een oude kastanje naast zijn tas vallen. In het westen probeerde een klein sliertje rode wolk boven de bebouwing uit te reiken en hij stelde tevreden vast dat het hem weer was gelukt de hele stad te doorkuisen. Ooit, op een dag, zou hij deze stinkende grijze massa achter zich laten, de grenzen van de bebouwing overschrijden. Maar eerst moest hij oefenen. Hij was nog niet klaar, nog niet in staat de volle tas met spullen moeiteloos te blijven dragen. Eigenlijk zou hij een knapzak moeten hebben, dacht hij. Zo'n ouderwetse, waarmee hij de last van de vrijheid op de schouders kon dragen en de rest van de wereld kon verkennen.
Met een luid puffen en hijgen plofte een man van middelbare leeftijd naast hem neer. Een mond met afgebrokkelde kantelen van wat eens een stevige burcht was geweest grijnsde naar hem en een groezelige hand greep de zijne.
"Rieuwert," zei de mond.
Hij schudde de hand van Rieuwert, knikte vriendelijk, maar stelde zich niet voor. Lang geleden al had hij begrepen dat volledige vrijheid geen naam en geen vaste verblijfplaats duldde. Dat was ook nergens voor nodig. Rieuwert reikte hem een lauw biertje aan van een merk dat de worsteling om zijn bestaansrecht allang had opgegeven en de beide mannen dronken een tijdje zwijgend, terwijl het langzaam donkerder werd.
Een politieman greep hem ruw onder zijn elleboog en trok hem omhoog. "Ik heb niets te maken met openbare bankjes, meneer. De mensen in deze buurt hebben geklaagd over uw aanwezigheid, dus ik verzoek u vriendelijk te vertrekken." Zo vriendelijk verzocht de agent het niet, maar hij pakte toch maar zijn spullen en zette het op een sjokken, terwijl de politieman zijn handen stond af te vegen aan een tissue, het gezicht vol walging. Een heftige pijn vergezelde de droge 'pok' die tegen zijn hoofd klonk. Geschrokken bracht hij zijn vrije hand naar waar hij geraakt was en draaide zich om. De agent was verdwenen en in plaats daarvan stond een groepje kinderen met stenen in hun tengels naar hem te loeren. Niet weer, dacht hij moedeloos. De Aldi-tas werd zwaarder met elke stap die hij zette om zich van de koters te verwijderen. Hij hield zich doof voor hun gejoel, dat langzaam dichterbij kwam, ploeterde voort over de harde straat, deed of hij de stenen die ze naar hem wierpen niet voelde en schrok wakker op het moment dat een kastanje met een luide plok op het bankje terecht kwam.
"Alleen herinneringen bewegen zich vrij in het gevang van de droom," mompelde hij nog wat slaperig voor zich uit. Rieuwert was verdwenen. De warmte om zijn voeten ook. Hij boog wat voorover om zijn onderdanen te inspecteren en stelde vast dat zijn collega in ruil voor het blikje bier zijn schoenen had meegenomen. De sokken, die meer uit gat dan stof bestonden, had de dief ruimhartig om zijn voeten laten zitten.
Het was inmiddels bijna helemaal donker, voor zover duisternis in een stad het lantarenlicht weet te overschaduwen. Het was tijd om zijn plek voor de nacht op te zoeken. Hij stond op, probeerde welke hand het minst protesteerde tegen het gewicht van de plastic tas, koos op goed geluk de linker en zette zich in beweging, voelend hoe nachtelijke kou uit de ruwe stoeptegels zijn voeten geselde. Hij sloeg een hoek om en liep in de richting van het pleintje dat overdag dienst deed als niets, en 's nachts het terrein was van gekken en dwazen die hun territoriumdriften uitten met behulp van spuitbussen. Zo ook deze avond. Hij hoorde ze elkaar al opgewonden opfokken voor hij dichtbij genoeg was om ze te kunnen zien. Ze moesten een nieuwe hobby hebben gevonden, want in plaats van een dreigend sissen, klonk nu een dof gebons. Ze zouden toch niet braaf aan het voetballen zijn?
Hij liep door, zonder angst, hij was immers wel wat gewend, en probeerde zijn blik voor zich te richten toen hij langs het pleintje liep. Dat bleek onmogelijk. Uit zijn ooghoeken zag hij hoe het groepje in een ovaal rond iets stond, wat de ene schop na de andere incasseerde. Zijn ogen dwongen zijn hoofd als vanzelf in de richting van de actie. Een van de jongens had een langwerpig ding in zijn vingers waarmee rake klappen uitgedeeld werden tegen wat hij nu kon onderscheiden als een rug. Een knaap ernaast, die zijn dure gympen bevuilde tegen een bloedend hoofd, zag hem het eerst. Nerveus springend werd de rest van het uitschot gewaarschuwd en terwijl het langwerpige ding met een houtig kabaal op de grond werd gesmeten, maakte de bende zich uit de voeten.
Hij knielde neer naast het slachtoffer en draaide het slappe, bloedende lichaam om. Hij herkende het lijk van Rieuwert nauwelijks, zo hadden ze zijn collega toegetakeld. Het waren zijn eigen schoenen die elke vorm van twijfel wegnamen. Hij trok ze van de dode voeten en schoof ze om zijn eigen. Er was niemand die nog iets kon doen, dacht hij, dus het was nergens voor nodig zich kenbaar te maken bij de autoriteiten.
Moeizaam bukkend pakte hij het langwerpige ding op, woog het in zijn hand. Het was een bezemsteel. Idealer kon het niet. Hij legde het stuk hout over zijn schouder, hing de Aldi-tas aan de rugzijde op het einde van de steel en zette zich met zijn moderne knapzak weer in beweging, de stad uit.



Gepubliceerd in bundel 'Het geheim van de reiziger' van uitgeverij Kontrast n.a.v. een verhalenwedstrijd.