Een luizenstreek | |
Vlak voorbij de vierde doorn van de noordoostelijke rozenstruiktak ontstond een klein relletje. Een paar mieren waren vreedzaam bezig de bladluizen te melken die ze naar deze beschutte plek hadden gedreven, toen ze opgeschrikt werden door een protesterende groep woedend geknikte antennen. “Stop het uitmelken van de luis!” scandeerden de monddelen die bij de antennen hoorden. Als het geen mieren waren geweest, hadden ze er vast ook spandoeken bij gedragen. De luizen werden onrustig van het gestamp om hen heen en dromden eerst samen, om zich vervolgens angstig te verspreiden over de tak. Sommigen, in het gelukkige bezit van vleugels, vluchtten zelfs naar andere struiken. De honingdauw die de melkende mieren aan het verzamelen waren geweest, sijpelde weg, ongebruikt, en vormde grote kleverige druppels op de takken en bladeren onder hen. “Kijk nou wat jullie doen! Wat zonde!” Eén demonstrant stopte haar mars abrupt en hoonde: “Zonde? Dat jíj dat durft te zeggen! Veel te veel bladluizen houden en de hele streek vervuilen, dat is zonde. Heb je niet gezien dat deze weg verderop helemaal bruin geworden is?” “Paniekzaaierij”, kreeg ze als weerwoord. “We houden al sinds mierenheugenis luizen en hier is het nog hartstikke groen. Waarom ga jij je niet eens nuttig ma…” Een zenuwachtige rusteloosheid wriemelde ineens om de bekvechtsters heen en gevaarferomonen dwongen hun poten tot een driftig rennen, onvervaard, richting een lieveheersbeestje dat moeizaam van een mensenvinger op een blad klauterde. Een behoorlijke groep had zich al om de logge kever verzameld. Sommigen probeerden het beest te steken, zonder zich te dicht in de buurt van de angstaanjagende bek te wagen, maar de meeste prikken ketsten af tegen het harde dekschild. Meer feromonen werden de lucht ingejaagd toen het lieveheersbeestje recht op een kudde luizen afliep, die intussen elkaars veiligheid weer had opgezocht. De geur hitste de mieren zo op dat ze het monster probeerden te steken waar ze maar konden, zonder zich nog te bekommeren om het eigen leven. “Stop! Hou op! Laat hem gaan!” De demonstrant van eerder wierp zich voor het beest en tussen haar zusters, die verbijsterd ophielden. “Hem laten gaan? Dan vreet hij onze bladluizen op. We moeten ons bezit beschermen.” “Maar zij zijn jullie bezit helemaal niet. Het zijn wezens waar je het over hebt hoor, geen dingen. Bovendien houden jullie er veel te veel en zou het goed zijn als dit beest de veestapel een beetje uitdunt. Hij volgt alleen maar zijn instinct.” Tijdens de discussie had de kever, doof voor het rumoer van die kleine beestjes om hem heen, een klodder gemorste honingdauw beklommen om de luizen daarachter te bereiken. Er volgde opnieuw alarm en terwijl de eigenwijze demonstrant dodelijk onder de voet werd gelopen, probeerde het lieveheersbeestje de ene stap na de andere te zetten. Zonder resultaat. De plakkerige vloeistof belette hem elke beweging. “En zo ontdekten we hoe we onze luizen konden beschermen,” besloot een oudere zus het bekende verhaal. De larve die ernaar had zitten luisteren knikte braaf wat segmenten en zei: “En het vertelt ook dat we gewoon moeten mieren, en niet maren.” Ze kreeg een extra druppel honingdauw voor haar opmerking. Toen ze niet veel later verpopt was en als jongvolwassene door de streek wandelde, was ze ondanks alle verhalen verbaasd over de gigantische hoeveelheid luizen die door haar volk werd gehouden. Waar ze ook keek, overal zag ze grote plakken overtollige zoetstof rondom kuddes. Ze liep op het smalle pad tussen de beschermwallen en betastte het hard geworden spul voorzichtig met haar antennen. Plakkerig, inderdaad. Een lange colonne passeerde haar en ze moest zich bijna tegen een muur drukken, waardoor ook een deel van haar poot kleverig werd. De stoet droeg dode luizen weg. Zodra er weer wat ruimte was op het pad maakte ze zich zorgvuldig schoon, waarbij ze zich voornam nooit meer zo’n kleefmuur aan te raken. Ze was bijna klaar toen opnieuw een lange rij mieren met lijken op haar af kwam. Deze keer besloot ze voor de voorste uit te lopen en terwijl ze behulpzaam de helft van dier vracht op haar schouders nam, merkte ze op: “Ik wist wel dat we veel luizen hadden, maar had me nooit gerealiseerd hoeveel dode er dan zouden zijn.” De mier achter haar keek haar aan en zei: “Er sterven er de laatste tijd steeds meer. Niemand weet precies waarom, maar als het zo doorgaat hebben we binnenkort een honingdauwtekort.” “Ze zijn niet zwaar”, peinsde het jonge dier, “en nogal mager. Krijgen ze wel genoeg te eten?” “Ze drinken gewoon het sap van de struik, net als altijd.” Zwijgend staken ze een zwaar gerimpelde tak over waardoor de ingang van het nest, onder de steen naast de stam, zichtbaar werd. “Er gaat een verhaal over een eigenwijze mier”, zei de draagpartner ineens, “die beweerde dat onze struik vervuild werd door te veel bladluizen te houden.” Ze zweeg weer even en voegde er toen aan toe: “Misschien had ze gelijk. Ik meen me te herinneren dat de takken vroeger groen waren, niet bruin.” De jonge mier was nog maar net begonnen dit te overdenken toen ze plotseling alle gewicht van de dode luis droeg en er links en rechts mieren langs haar heen drongen. Overal krioelde opeens paniek en toen ze de oorzaak zag moest ze met afgrijzen toekijken hoe een enorm metalen blad midden in haar thuis belandde. Een deel van het nest, inclusief de kamer van de koningin, werd erop naar boven gehaald en meters verderop geworpen. Steeds opnieuw wrikte het reusachtige ding zich in hun wereld, en elke keer weer werd een deel ervan weggeworpen via een soort kale, dikke tak die door mensenhanden werd vastgehouden. Radeloos rende de jonge mier heen en weer en toen alles onder haar begon te schudden greep ze zich blindelings muurvast aan iets gruwelijk kleverigs. De mensenhanden grepen de droge stam onder haar en zij, de beschermwal en de hele struik belandden suizend op een grote berg dorre planten. | |