De overstap | |
Op een dag besloot hij zomaar over te stappen. Hij wist niet waar hij naartoe zou gaan, wist niet of hij het daar aangenaam zou vinden, wist zelfs niet of hij zijn familie en vrienden ooit nog terug zou zien. Evenmin wist hij of het misschien verstandiger was deze kans voorbij te laten gaan, maar hij greep hem in een opwelling toch. Het eerste wat hem opviel aan de onbekende bestemming was de overdadige begroeiing. Het tweede was het feit dat er hier verder helemaal niemand was. Hij bevond zich volstrekt alleen in een duistere jungle en toen hij zich omdraaide om terug te gaan, bleek elke mogelijkheid daartoe verdwenen. Vol moed, maar geen goede, besloot hij dan maar de omgeving te gaan verkennen. Hij beklom een heuveltje dat een beetje vochtig en daardoor glibberig was en wist slechts met de grootste moeite de top te bereiken. Er aan de andere kant weer vanaf komen was eenvoudiger; hij gleed bijna naar beneden en moest zich schrap zetten om niet te hard te vallen. Net toen hij aan de voet van de heuvel tot stilstand was gekomen, daalde er plotseling, en met grote snelheid, iets enorms uit de lucht neer. In paniek liet hij zich plat op de grond vallen. Op dat moment zou hij spijt hebben van het hele idiote idee van overstappen, als hij iets als spijt had gekend. Een gigantische mensennagel maakte een aantal schurende bewegingen, millimeters van de plek waar hij zich bevond, en verdween toen weer. Een ding was zeker: hier moest hij weg. Zo snel als hij kon liep hij voort, over nog een heuvel, door een diep, diep dal en vervolgens door een gebied waar het zo hard woei dat hij zich krampachtig vastgreep aan alles wat hij te pakken kon krijgen. Koppig ploeterde hij voort, vervellend, hoger en hoger, etend van de bodem waar hij maar kon, tot hij over een ruw bosje klauterend een weelderige wildernis zag. Er was hoop! Zo snel als hij kon rende hij eropaf, blij met de belofte van beschutting tegen de wind, die hier zo mogelijk nog harder woei. De belofte bleek een desillusie. Hoe fijn het hier van een afstand ook had geleken, iets aan deze omgeving maakte dat hij alle grip op het leven verloor en de snelheid waarmee hij afgleed had hem verbaasd als er iets was wat hem op dit punt nog kon schelen. Apathie dwong hem alle wil om te leven los te laten. Hij zakte lusteloos neer en zocht wankelend een beschutte plek, droog maar zonder voedingsbodem voor enige kracht, om te slapen. Hij hoopte nooit meer wakker te worden. Onder hem schokte de wereld, maar dat ging geheel aan hem voorbij. Hij droomde van bloedige maaltijden en grote grijparmen, vervolgens van vrouwtjes in alle soorten en maten, en zelfs even van prachtig gekrulde, stugge haren waarin hij lekker kon rondwoelen. Plotseling, en in grote mate onwillig, schrok hij wakker. Het was warmer geworden, troostend warm zelfs, vertrouwd. Een laatste restje levenswil dwong hem op te staan en op zoek te gaan naar voedsel, wat hij vond vlakbij het enige streepje schaarse begroeiing op een verder kale vlakte. Met zijn buik goed gevuld rustte hij wat uit, zich afvragend waarom hij zo gemakkelijk de hoop had opgegeven. Natuurlijk, hij was dakloos in deze eenzame schraalheid, maar hij had te eten en het was hier niet koud en winderig. Een onwillekeurige huivering liep langs zijn rug toen hij terugdacht aan de barre reis. Zoiets zou hij in elk geval nooit meer doen. Hij stond strammig op, scharrelde wat rond, at nog een beetje en besloot toen wat te dutten om weer op krachten te komen. De zware trillingen wisten hem deze keer wel te wekken. Verstrooid keek hij om zich heen, de gedachte dat hij een gezicht voorbij had zien komen hoofdschuddend verwerpend. Opnieuw beefde de bodem en hij klampte zich stevig vast om te voorkomen dat hij viel, terwijl de wereld om hem heen plotseling veranderde in een samengeperste drukte, vol leven en gedruis, en vooral met wederom de vreemde illusie dat hij gezelschap had. Hij hernam zich, haalde diep adem en keek om zich heen. Zie je wel, gewoon de bekende kale vlakte. Niets meer en niets minder. Hij wilde zich al ontspannen toen een derde schudden hem verraste. Net op tijd wist hij zich vast te grijpen. Het werd warmer en alles werd donker, een duister waarin hij zeker wist gescharrel te horen. Voorzichtig tastte hij om zich heen, vond een ander houvast en schuifelde daar naartoe. Heel even bood een streepje licht zicht op een volgende steun, die hij wist te grijpen vlak voor een nieuwe beving zich aandiende. In het daarop volgende duister voelde hij iemand langs hem heen schieten. In lichte paniek maaide hij nu in het rond, zoekend naar houvast en grip, wat zich tot zijn verbijstering overal om hem heen bevond. Hijgend hield hij zich aan wel vier haren tegelijk vast en toen het begon te schemeren zette hij zich schrap om weer een schok op te vangen. Maar die kwam niet. Om hem heen was het een drukte van belang. Waar hij ook keek, overal liep wel iemand, en voordat hij kon twijfelen besloot hij opnieuw over te stappen. In het voorbijgaan passeerde hij een jonge vrouw, die de tegenovergestelde richting koos. Hij wilde haar al waarschuwen, maar liet dat na toen hij zag dat ze op de voet gevolgd werd door een knul. Met gezelschap kon ze daar misschien best gelukkig worden. Bovendien lonkte een volwassen prachtexemplaar, zo plat als hij zich maar kon wensen, verderop naar hem. Hij had wel iets beters te doen. Opgelucht keek hij toe hoe de beangstigend kale vlakte zich met grote snelheid van hem verwijderde. In de nieuwe schemering draaide hij zich om naar het prachtexemplaar. Met haar zou hij straks schaamteloos de liefde bedrijven. De eenzaamheid was voorbij. | |