In al de facetten van haar oog | |
Het is waterkoud en bijna iedereen is weg of gestorven. Twee zusjes dribbelen nog wat rond in wat eens een bouwwerk was dat gonsde van de activiteit. Beneden klinkt een doffe plof en als ze gaat kijken, blijkt dat is gebeurd wat ze al dagen had zien aankomen: moeder is dood en uit haar nest gevallen. Dit is het dan. Boven hoort ze een zacht schrapend geluid, afkomstig van haar neefjes. Toen moeder haar altijd stevig geurende greep op haar dochters begon te verliezen, waren er een paar die stiekem wat bastaardjes op de wereld zetten, al keken ze er daarna nauwelijks nog naar om. Maar wat wil je ook, in een tijd als deze, waarin iedereen voelt dat het einde nadert. De kleintjes hebben honger, maar er is niemand meer die voedsel voor ze haalt. Een soort heimwee naar haar jonge dagen, toen het haar taak was haar kleine zusjes te verzorgen, trekt haar naar ze toe. Ze zijn klein voor hun leeftijd en akelig bleek. Werktuiglijk ruimt ze wat rommel op – stukken vel, eierschalen en poep. Niet dat het nog zin heeft, maar eens een werkster, altijd een werkster, en het maakt dat ze zich minder nutteloos voelt. Bovendien ruikt het in de omgeving van haar neefjes nog een beetje zoetig. Oh zoetigheid! Als ze nou toch nog één keer de smaak van suiker zou mogen proeven! Met weemoed herinnert ze zich de laatste keer, toen zo’n beetje iedereen nog in leven was en de zomer in al zijn aangename warmte nog niets liet blijken van de komende zware tijd. Ze was hout aan het verzamelen toen zich plotseling allerlei verleidelijk geuren aandienden. Ze kon er niets aan doen, werd ernaartoe getrokken, bijna glijdend op de in de lucht drijvende aroma’s. Er zaten mensen om een ronde plaat, met daarop weer andere platen, die allerlei heerlijks bevatten: stukken kadaver onder wat leek op een zachte muur, witte heuvels die onmiskenbaar roken naar suiker en daarnaast een soort bassin waarin een grote plas oranje heerlijkheid lag. Ze besloot dat ze een stuk vlees mee zou nemen voor haar jonge zusjes, maar eerst zou ze zelf genieten van al het andere lekkers dat hier voor het oprapen lag. Omdat ze meer dorst had dan honger begon ze bij het bassin. Voorzichtig liet ze zich langs de gladde rand naar beneden glijden en nam net een slokje van het aangenaam smakende spul toen het vervaarlijk begon te golven. Ze klampte zich dapper vast aan de oever, had er plezier in hoe de golven behalve over haar hoofd ook zomaar in haar mond belandden, maar droop af toen ze overspoeld dreigde te worden door een teveel van het goede. Nadat ze zich, nog lichtelijk opgewonden van het korte oranje avontuur, had gewassen naderde ze zo’n witte heuvel. Ze betastte het nieuwsgierig en verbaasde zich over de kou die ervanaf sloeg. De smaak was echter ongeëvenaard, zo voortreffelijk, dat ze de razendsnel op haar afkomende, flinterdunne lagen hout maar net op tijd wist te ontwijken. Geschrokken hoorde ze hoe de witte heuvel met een luide ‘kwak’ werd geplet. Nog voor ze zich kon realiseren wat er precies was gebeurd, kwam het druipende wapen opnieuw door de lucht suizen en raakte haar op een haar na. Door de werveling die de slag had veroorzaakt werd ze opzij en iets naar boven geduwd, waardoor ze zicht kreeg op een mens die in het wilde weg aan het slaan was. Geprikkeld spoot ze gif in de richting van haar belager en vluchtte ze weg om zich in veiligheid te brengen. Ze was opgelucht toen ze versterking zag aankomen in de vorm van een paar zussen, die dreigend om de mens heen gingen hangen. Eén van hen naderde hem langzaam, jennerig heen en weer bewegend en niemand zag het aankomen toen ze plotseling werd geraakt en tegen de grond sloeg, waar ze versuft bleef liggen. De geharnaste voet van een ander mens beëindigde ruw het leven van haar moedige zus. Dit riep om wraak! Ze zocht en vond een onbedekt stuk huid en stak onmiddellijk toe. Een schreeuw weerklonk en ze werd, haar wapen nog in het lichaam, wild heen en weer geschud tot een zus een blootliggende plek elders had gevonden en zo haar belager wist af te leiden. Snel rukte ze zich los en vloog ze het volgende slachtoffer aan. Haar medestrijdsters deden hetzelfde en toen de vijanden zich wild bewegend uit de voeten maakten, werd een korte achtervolging ingezet om er zeker van te zijn dat ze zich niet weer zouden vertonen. De gesuikerde stof was wat vloeibaarder en minder koud, maar smaakte net zo heerlijk zoet als hun wraak. Beneden komt moeder in beweging, geknakt ter hoogte van haar slanke taille, langzaam en schokkerig. Ze gaat nu eens de ene kant op, dan weer de andere, al zit er onmiskenbaar een soort doelgerichtheid in. De mieren die haar naar hun nest proberen te verslepen rennen als dwazen om het lijk heen, duwend en trekkend. Naarmate hun tocht vordert lijken ze zekerder te worden van hun zaak en beweegt ze steeds minder ongecoördineerd. Binnen een half uur is moeder verdwenen en met haar ook de kleuren van de wereld. Ze loopt door de verlaten gangen die ze ooit zelf heeft helpen bouwen, zonder echt doel, en belandt bij haar neefjes. Of wat daarvan over is. Twee zussen hebben er een uit zijn cel gehaald en zijn nu verwoed bezig hem uit elkaar te rukken, ieder aan een kant. Het bleke lichaampje van de kleine wordt hoe langer hoe dunner en knapt dan onder de trekkracht, waarna de helften opgepeuzeld worden. Als ze ernaartoe loopt om te kijken of ze ook een stuk vlees kan bemachtigen, wordt het grijze licht om hen heen plotseling heller, geler en warmer. Het lokt haar naar buiten. Een waterig zonnetje doet haar best de wereld te verwarmen en hoewel het niet echt lukt, is het toch aangenaam genoeg om een tochtje te maken. Misschien vindt ze nog wel wat lekkers. Daar! Blauwe bloemen en een sterk odeur, dat moet nectar betekenen. De eerste bloem is vreemd – ze vindt geen ingang en de geur lijkt meer van de omgeving ervan te komen, dan van het ding zelf. Ze probeert een andere, volgt de lijn van de blaadjes naar het gelige centrum, maar ook hier geen spoor van nectar. Ze besluit nog een laatste bloem te onderzoeken als ze plotseling een mensenstem hoort en er iets onder haar door schuift nog voor ze zich kan verdedigen. Boven zich hoort ze een droge klik en ze bevindt zich plotseling in een doorzichtige ruimte met gaten in het glazen plafond, waar lucht doorheen stroomt. Daarboven hangt een reusachtig mensenoog. “Volgens mij heb ik deze soort nog niet in mijn verzameling.” | |