Van de wijs



Het gras ruiste vredige schaduwen over de plek waar de krekel een gezellig holletje had gemaakt en in de waan dat er niemand in de buurt was waagde hij zich aan voorzichtig gezang. Al na de eerste paar bescheiden klanken ritselde er iets achter hem.
Hopend dat het een vrouwtje was die op zijn muziek was afgekomen, draaide hij zich om, om het opgeblazen gezicht van een zelfingenomen kijkend mannetje te ontmoeten. Hij kwam dreigend op de krekel af.
“Rot op! Ik moet geen valszingers in mijn buurt.”
De krekel bleef zitten waar hij zat en antwoordde: “Waarom? Ik heb net zo veel recht om hier te zijn als ieder ander. Ga zelf maar weg als mijn gezang je niet aanstaat.”
Een tweede mannetje kwam tevoorschijn en direct daarachter schuifelde een derde tussen de grassprieten door.
“Jij bent hier degene die uit de toon valt, dus jij moet weg. Dat vinden zij ook, toch, jongens?” De lange antennen boven het opgeblazen gezicht bewogen zich kort in de richting van de nieuwkomers, die overtuigd knikten. Een van hen kraakte: “Wij willen hier alleen maar krekels die zuiver zingen. Valszingers pikken onze vrouwen in, onze ruimte, ons gras, onze vrijheid!”
“Ja,” viel de tweede hem bij. “Wegwezen of we trekken je een poot uit! Dan hoor je maar wat minder; maakt toch niet uit, want je bent kennelijk al doof voor je eigen valsheid!”
Ze kwamen nu dreigend op hem af en hij raakte van de wijs door het idee dat hij in zijn hol geen kant op kon. Snel krabbelde hij eruit, maar nu bevond hij zich nog dichter bij de kwelgeesten, die grimmiger en grimmiger keken. Zich realiserend dat hij in de minderheid was, koos hij het hazenpad.

Enkele dagen later, de schemering zou snel vallen, voelde hij opnieuw de behoefte om te zingen, maar toen hij zijn voorvleugels optilde en bij elkaar bracht, kon hij geen geluid uitbrengen. Met de herinnering aan de onaangename ontmoeting deed hij er maar het zwijgen toe.
Niet ver van hem vandaan klonk plotseling de luide zang van een soortgenoot. Het was het lied van het territorium, dat andere mannen moest waarschuwen dat deze plek al bezet was. De krekel naderde het geluid stilletjes, maar bleef op gepaste afstand toen hij zag dat de zanger degene was die een paar dagen eerder de toon had gezet. Hij luisterde hoe een nieuw lied begon, dat van de romantische roep, een welluidende, vogelachtige triller die vanuit het hol waar het mannetje zat begerig het luchtruim koos.
De lokroep werkte.
Vlak naast de stille krekel klonk het onmiskenbare zachte lispelen van grassprieten die opzij werden geduwd. Ertussen stond een vrouwtje. Ze was diepzwart, fors en keek hem een beetje bevreemd aan. De krekel was op slag verliefd.
“Hallo. Ben jij een vriend van mijn roeper?”
“Eh, ja,” stamelde hij, terwijl hij verwilderd zocht naar iets wat intelligenter klonk. Het vrouwtje wilde al verder lopen en hij snelde op haar toe, haar de pas afsnijdend.
“Wat doe je? Hoor je niet dat ik geroepen wordt?”
De krekel bewoog naar voren en naar achteren, al naar gelang de bewegingen van het vrouwtje. Hij wist niet wat te zeggen, wist niet duidelijk te maken dat hij haar wilde, dat ze niet naar die schreeuwlelijk moest luisteren. Hij wist alleen dat hij moest zien te voorkomen dat ze hem verliet. En dus bleef hij het haar koppig moeilijk maken.
Het gezang achter hen verstomde om plaats te maken voor een veel zachter klinkende melodie: het zwijmelende minnelied van de hofmakerij.
Het zwarte vrouwtje staakte haar pogingen om voorbij de krekel te komen en keek hem beschuldigend aan.
“Bedankt, hè. Nu heeft ‘ie een ander.”
Hij kreeg ineens een inval.
“Die had hij al. Ze hebben een afspraakje. Daarom vroeg hij mij ook om in de buurt te blijven, zodat ik eventuele andere vrouwen zou kunnen tegenhouden. Zij is nogal een jaloers type, zie je.”
Het vrouwtje zweeg, maar de verwijtende blik was verdwenen. Samen draaiden ze zich om om elkaar een eindje verderop beter te leren kennen.

Opgetogen over de uitvinding van deze briljante versiertruc begaf hij zich de volgende middag opnieuw naar de plek waar de zingende krekel zijn bestaan luidkeels kenbaar maakte. Hij verschanste zich stilletjes net buiten het zicht en wachtte tot het territoriumlied afgelopen zou zijn.
Het duurde langer dan de dag ervoor en klonk steeds luider. Tot de muziek plotseling stopte en het opgeblazen hoofd van de bekrompen vijand vlak voor hem opdook.
“Jij weer! Opgedonderd hier! Dit is mijn plek!” Hij zette zijn argument kracht bij met een stevige zwaai van zijn antenne. En nog een, die pijnlijk hard aankwam. Een derde, vierde en vijfde zwiep volgden en de krekel had geen andere keus dan zich met een grote sprong van de geseling te bevrijden. Hij kroop achter een graspol en bleef daar stil zitten, half verwachtend dat de bruut hem zou volgen en hem inderdaad een poot zou uittrekken.
Maar dat deed hij niet. Hij begon luidkeels aan de wijs van de romantische roep en al snel bogen een paar grassprieten in de buurt opzij.
En toen een heleboel meer.
Een vogel hipte met zijn kop schuin door het gras, een van zijn felle ogen gericht op de grond, en kwam vlak naast de krekel tot stilstand. Hij verstarde, durfde zich niet te verroeren. Weer ruisten wat grassprieten. Een vrouwtje passeerde de stille krekel en de vogel, doof en blind voor alles behalve het lied dat haar riep. Met een razendsnelle beweging werd ze door de snavel uit het leven geplukt.
De vogel zette een stap bij de krekel vandaan, die zich nog altijd niet durfde te bewegen. De lokroep stopte. Tussen de platgetrapte grassprieten door zag hij hoe de snavel opnieuw naar de grond schoot en de schreeuwlelijk voor eens en voor altijd een toontje lager deed zingen.