Het eendagsvliegje | |
Vol enthousiasme brak ze door de oppervlaktespanning, terwijl ze haar vel afstroopte. Het eendagsvliegje strekte langzaam haar vleugels, wapperde er even mee, waarna ze het luchtruim koos. Ze vloog! Na al die tijd onder water te hebben gekropen, beducht op vraatzuchtige libellenlarven, waterschorpioenen, roofkevers, vissen en al die andere bekken die haar wel lustten, kon ze nu van haar vrijheid genieten. Ze zweefde uitbundig, liet de frisse lucht haar tere vleugels strelen en zwenkte wat onhandig naar links en naar rechts. Vlak achter haar klonk een klap en een milliseconde lang leek het alsof een van haar staartdraden ergens aan vastzat. Ze keek geschrokken om en zag hoe een huiveringwekkende snavel haar losliet om een mannetje, dat net op haar af fladderde, met een snelle hap te verorberen. Paniekerig versnelde ze haar vlucht, dook achter de vogel langs en vond een takje dat half verscholen ging achter een blad. Daar landde ze. De lucht gierde door haar nog ongeoefende ademhalingsopeningen en ze kroop een stukje verder naar achteren toen ze het klapwieken van de vleugels hoorde naderen. Die bleken echter niet meer in haar geïnteresseerd. Overal rond de snavel zwermden haar soortgenoten en de vogel en zijn vrienden hapten in het wilde weg in de lucht, tientallen dodelijke slachtoffers makend. Een vallende rups suisde langs haar heen en landde een paar meter onder haar tak in het water waarin ze haar jeugd had doorgebracht. Ze keek toe hoe de bijna ronde, snel bewegende kevertjes op het oppervlak op het beestje toeschoten. Ze herkende de schrijvertjes nauwelijks van bovenaf. Onder water had het geleken alsof ze daar hoorden, een beetje plat, snel zwemmend en met priemende ogen die alles zagen wat er in de nattigheid gebeurde. Nu zag ze dat de helft van die ogen boven het oppervlak uitstak en dat ze ook daar om zich heen konden kijken. Het waren alziende wezens. Naast haar landde een mannetje dat de massaslachting kennelijk ook had weten te ontwijken. Hij naderde haar. “Je moet nog een keer vervellen, hoor”, zei hij. “Daarna kunnen we het doen.” “Wat doen?” vroeg de eendagsvlieg. “Paren natuurlijk! Daarom zijn we hier toch allemaal vandaag?” Nu pas zag ze dat om haar heen overal stelletjes bezig waren, zich kennelijk nauwelijks bewust van de moordenaars die al etend rondvlogen. Een paartje was klaar, liet elkaar los, waarop het vrouwtje haar eieren in het water afwierp en stierf. Het mannetje, op zoek naar een volgende partner, vloog in een web, in het midden waarvan een reusachtige spin zat te glunderen naar de zoveelste prooi die zich vaster en vaster spartelde. Nu zag ze meer vrouwtjes hun eieren leggen om vlak daarna de geest te geven. Het eendagsvliegje huiverde. “Je denkt toch niet dat ik mee ga doen aan een orgie die niets betekent dan dood en verderf? Wat een zinloos gedoe”, verzuchtte ze. “Zinloos? Hoezo? We kunnen ons voortplanten!” antwoordde het mannetje verbijsterd. “Kom op, we hebben niet veel tijd. Vervel nou snel, dan kunnen we het doen.” “Ik pieker er niet over”, antwoordde ze koppig. “Als ik had geweten dat die spannende wereld boven, waar ik mijn hele leven naartoe heb geworsteld, er zo uit zou zien, en nog zo kort ook, dan was ik gewoon lekker in het water gebleven. Ik hoef me niet voort te planten. Mijn kinderen zouden ook vol verwachting opgroeien om er als volwassene achter te komen dat hun hele gevecht om in leven te blijven alleen maar leidt tot de dood. Wat een zinloos bestaan!” “Toe nou!” fleemde hij, maar zij reageerde niet meer. Teleurgesteld vloog het mannetje weg, zijn prachtige lange staartdraden achter zich aan zwierend, zo in de armen van een razendsnel vliegende libel, die hem een eindje verderop, zittend op een tak, oppeuzelde. Op haar rug hoorde ze een zacht kraken en ze voelde hoe haar buitenste harnas begon te scheuren. Ze wilde niet, verzette zich ertegen en maakte zich zo klein mogelijk, maar het doffe, enigszins harige vel liet gewoon los en begon haar nu hevig te irriteren. Ze had geen keus. Een beetje onhandig ontdeed ze zich ervan en liet ze het in het water vallen dat onder haar stroomde. Peinzend keek ze het na, zachtjes mopperend, toen ze vanuit haar ooghoek iets zag bewegen. Twee priemende ogen te midden van griezelig groen gerimpeld vel kwamen op haar af. Ze herkende een hongerige bek als ze er een zag en bedacht zich geen moment. Binnen een seconde was ze weggefladderd, uit de buurt van de dood, maar in de relatieve beschutting van de boom waarop ze had gezeten. Plotseling voelde ze hoe opdringerige pootjes zich aan haar onderkant vastgrepen. Even dacht ze dat het roofdier haar alsnog te pakken had gekregen, maar al snel merkte ze geschrokken hoe ze zonder pardon werd gepenetreerd. Het eendagsvliegje probeerde weg te vliegen, schreeuwend dat ze niet wilde, dat ze geen zin had, maar hij hield haar stevig in zijn klauwen. In paniek probeerde ze zich onder hem vandaan te worstelen, haar soepele lichaam draaiend, haar poten maaiend in de lucht. Ze realiseerde zich met en schok dat ze alleen maar uit de buurt van de hongerige bek was gegaan om haar dood na deze brute paringsdaad alsnog te ontmoeten en terwijl ze, met het mannetje nog altijd in haar, naar beneden buitelde voelde ze het heldere licht van de zon op zich. Het bleef nog altijd schijnen toen ze op het water belandden en de rimpelingen van val en worsteling over het oppervlak reisden. Nog geen seconde later wist ze zich omringd door de alziende wezens. Ze zag het zonlicht niet meer, bevond zich in duisternis, terwijl ze voelde hoe haar verkrachter van haar losgescheurd werd en zelf in stukken uiteen werd gereten. Haar bevruchte eieren dreven onopgemerkt het water in. | |