Gescheiden sokken | |
In de sokkenla is het een gezellige chaos. Het stelletje van grijze wol klit zoals gewoonlijk samen met het paar Van Nylon, de oude groentjes - herkenbaar aan hun kalende hielen - zitten knusjes in een hoekje, een vrolijk jong paar is innig met elkaar verstrengeld en achterin zijn direct de roddelkousen te herkennen, naast de onafscheidelijke panty’s. Daartussen zwerven paren donkerblauw, bruin, veel zwart, al dan niet met een werkje of afbeelding, en hier en daar een eenzame sok. Een van die eenzame sokken is Grijs Geweven. Vroeger was hij zwart, maar door het vele wassen is zijn kleur vervaagd en er wordt gefluisterd dat dat de reden is waarom zijn wederhelft hem heeft verlaten. Op een dag gingen ze samen de machine in en toen hij eruit kwam, was zij verdwenen. Gewoon weg was ze, er zonder achterom te kijken tussenuit geknepen tijdens het wilde rondtollen van de centrifuge. Niemand heeft haar nog gezien en inmiddels is ze al weken zoek. Volgens een roddelkous is ze naar de wereld van de verdwenen sokken. “Mijn fijne partner heeft daar ook een avontuurtje gehad”, fluistert ze, het in elkaar krimpen van haar wederhelft negerend. “Het is er een orgie van wisselende contacten, alle kleuren door elkaar en iedereen doet het er met iedereen. Gelukkig vond hij er niemand die echt bij hem paste, dus uiteindelijk is hij met hangende teentjes bij me teruggekomen.” “Ik was helemaal niet in de wereld van de verdwenen sokken!” werpt de andere roddelkous tegen. “Ik werd vastgehouden in de mouw van een trui en pas vrijgelaten toen er van hogerhand doorheen geprikt werd. Herinner je je niet dat ik helemaal in de kreukels terugkwam?” “Dat kwam natuurlijk door al die wilde vrijpartijen.” De roddelkousen kibbelen nog wat verder, maar de aandacht van Grijs Geweven wordt nu getrokken door een van de oude groentjes. “Ze komt wel terug, maak je geen zorgen”, zegt het linkse exemplaar met het beginnende gaatje in de uitgerekte teen. “Ooit, in mijn jonge jaren, was ik eens maandenlang verdwaald in een dekbedovertrek. Steeds opnieuw probeerde ik de uitgang te vinden, maar het duurde zes wasbeurten voor het eindelijk lukte.” Het rechter oude groentje knikt. “Mij probeerden ze toen ook de fabel van de wereld van de verdwenen sokken op de mouw te spelden, maar ik heb al die tijd trouw in dit hoekje zitten wachten en uiteindelijk werden we weer verenigd. Natuurlijk hebben we sindsdien wel wat kleurverschilletjes.” “Ik zou haar onmiddellijk terugnemen als ze terugkwam”, verzucht Grijs Geweven. “Hoe saai ze soms ook was, zonder haar heb ik het gevoel dat ik niet compleet ben, het idee dat ik doelloos door de la zwerf, verloren, uitgediend en afgedankt.” “Nou”, zegt een van de vele zwarte exemplaren, “ik moest mijn ex niet meer toen ze me in de steek had gelaten. Wist ik met wat voor vreemde sokken ze het allemaal had gedaan? Ik ben toen gaan samenleven met mijn lieve wederhelft hier en sindsdien ben ik gelukkiger dan ooit. En inderdaad, toen ze terugkwam bleek wat voor slet het eigenlijk was. Ze bond zich zonder morren aan mijn partners ex, die zich ook een tijdje uit de voeten had gemaakt. Weinig eenkennige types.” Plotseling wordt de la geopend en een schoon gewassen paar hyperactieve sportsokken belandt bovenop Grijs Geweven. Ze kijken opgetogen en roepen allebei tegelijk: “Een-twee-een-twee hier is ze! Je wederhelft! Een-twee-drie-vier! Gevonden!” Maar als de duisternis weer invalt blijkt dat er behalve de sportsokken niemand is bijgekomen. “Een-twee hè? Hoe kan dit nou? We hebben haar gezien, in de wasmachine.” Een van de sportsokken kijkt beteuterd naar Grijs Geweven, die slapjes gebukt gaat onder de teleurstelling. “Hoe zag ze eruit?” vraagt hij, en dan: “Was ze alleen?” De sportsok antwoordt: “Er hing wel een felrode kletskous om haar heen. Maar toen ik naar haar toe ging, verdween hij. Een-twee-drie-vier! Ik weet ook niet of die twee iets hadden, hoor. Ze vertelde dat ze achter de wasmand was gevallen. Toen door een stofzuiger opgepikt. Daar is ze uit gehaald en weer in de machine beland.” Omdat Grijs Geweven nog altijd ongelukkig kijkt voegt de andere sportsok eraan toe: “Ik geloof dat verhaal wel, een-twee-drie-vier. Ze zag er ongelofelijk stoffig uit, zelfs toen we al een spoelinkje hadden gehad.” Een paar meter van de sokkenla vandaan, diep weggekropen in een half versleten broekspijp, houdt zich een sok schuil. De eerste poging te ontsnappen aan haar saaie leven van voetveeg mag dan mislukt zijn, als dat niet was gebeurd had ze nooit de kletskous leren kennen. Ze begint te zweven bij de gedachte aan hem en hoort om zich heen het opwindende geritsel van plastic. Als ze een buik had, zouden er duizend vlinders in rondfladderen. Bovenop de broekspijp worden met doffe ploffen andere kledingstukken gedeponeerd, waardoor haar omgeving hoe langer hoe donkerder en drukkender wordt. Het geeft niets. Dit heeft ze er allemaal voor over, zelfs het verstikkende gevoel geen controle te hebben over waar ze heengaat nu het plastic om haar heen strakgetrokken en gesloten wordt. De lucht is muf als ze eindelijk uit haar schuilplaats vandaan glijdt en zich in een onbekende omgeving terugvindt. Toen de felrode kous haar vertelde waar hij naartoe ging, wilde ze het naadje van hem weten, al twijfelde ze over het waarheidsgehalte van zijn praatjes over tweedehands kleren voor het goede doel. Hij had dus wel gelijk gehad! Bijna juichend probeert ze hem in de grote berg afgedankt spul te vinden als ze wordt opgepakt en in een bak wordt geworpen met alleen maar vrije sokken. Heel even ziet ze een glimp van twee rode kletskousen die in een andere bak belanden. Het deert haar niet. Ze dompelt zich onder in de wereld van de vrije liefde en laat zich enkele dagen later een paar oren aannaaien door een kleuter in een klasje, die haar liefdevol Mevrouw Muis noemt. Ze is een nieuw leven begonnen, samen met de allesbehalve saaie, gele Meneer Muis. | |