Warm aanbevolen



In het gloedvolle licht is een lichte angst op haar gezicht te lezen. Toch kruipt ze wat dichter naar me toe. Gedachteloos wrijvend over het litteken op haar onderarm leest ze een van de folders die vanmiddag zijn bezorgd.
‘Doorlopend krediet al vanaf 6,7% rente’ kopt het papier. Onderaan staat in dikke rode letters: ‘Vraag vandaag nog aan!’ en een telefoonnummer. Ik rook, terwijl zij opstaat om het raampje in de keuken te sluiten. Daarna loopt ze om de buffetkast heen die er niet meer staat en zet ze de verwarming lager. Als ze weer bij me komt zitten gaat de bel.

Haar ex komt de kamer binnenlopen met de sleutels van de BMW luidruchtig rinkelend in zijn vingers. Hij knikt naar mij en zegt: “Gezellig” tegen haar terwijl hij op de bank gaat zitten, armen breeduit over de leuning. Zij kiest een stoel in mijn nabijheid.
“Krijg ik geen koffie?” vraagt de ex, terwijl hij een enkel op zijn knie legt.
Ze knikt, staat op en loopt naar de open keuken. In het voorbijgaan werpt ze een veelbetekenende blik op mij, waarin onder andere nog steeds angst te bespeuren valt. Het is natuurlijk niet meer dan terecht dat ze op haar hoede is, maar ze moet niet vergeten dat ik haar ook warmte en gezelligheid bied. Bovendien zou er zonder mij vanavond geen gebraden karbonaadje op haar bord liggen.
“Hoe gaat het eigenlijk met hoe-heet-ze? Je nieuwe vriendin?” Ze staat koffie in een filter te scheppen en kijkt de ex niet aan.
“Marielle? Goed, ze is zwanger.”
Nu kijkt ze op. “Dat heeft ze snel gedaan.”
“Tja, het was een ongelukje. Maar ik vind het niet erg.”
Ze gooit de koffie terug in het blik en begint opnieuw schepjes te tellen. Pas als ze het apparaat heeft aangezet zegt ze: “Een ongelukje? Dat geloof je toch zelf niet? Ze is arts!”
Zo ken ik haar weer. Lekker stoken, de boel een beetje opporren. Plotseling brand ik van verlangen naar haar. De ex haalt zijn schouders op en legt zijn andere been op het ene, waarna hij naar het pruttelende apparaat wijst: “Waarom koop je niet zo’n Senseo? Dan hadden we allang koffie gehad.”
“Geen geld. Ik moet nogal wat dingen kopen die jij hebt meegenomen, weet je nog?”
Haar ogen vlammen, maar haar bewegingen – kopjes pakken, lepeltjes, verse melk, suiker en zoetjes – zijn uitermate kalm.
“Dan koop je toch een ander merk? Er zijn koffiepadmachines voor maar een paar tientjes.”
“Die zijn vast niet zo goed”, zegt ze ferm, terwijl het apparaat met een laatste zucht laat weten dat het zijn werk gedaan heeft.
Ik houd van haar. Toen ik volkomen uitgeblust was, was zij het die me weer tot leven bracht, me lucht gaf en me voedde. In ruil voor die zorg houd ik me rustig nu ze het dienblad met attributen op een omgekeerde doos plaatst, daar waar vroeger de koffietafel stond. Ze kan het ook prima zonder mij af.
“Ik wilde met je praten over de auto”, zegt ze, terwijl ze inschenkt. “Een weekend om de week vind ik veel te weinig. Ik heb hem vaker nodig om nieuwe spullen te kopen en het is tenslotte ook mijn auto.”
De ex schept vier scheppen suiker. Hij wordt langzaam rood.
“Vaker kan niet. Ik moet ermee naar mijn werk en ook ik heb hem ’s weekends wel eens nodig.”
“Heeft die Marielle van je geen auto?”
“Jawel, maar daar kan een volwassen man zich niet in vertonen.”
“Dus jij hebt twee auto’s tot je beschikking, bijna de hele tijd, en ik heel af en toe maar één en dat is jouw idee van eerlijk delen?” Ze roert als een bezetene in haar koffie. Ik rook nog wat meer.
“Weet je wat het met jou is”, begint hij op minachtende toon, “jij kunt het gewoon niet hebben dat ik nu gelukkig ben. Je probeert me terug te pakken. Heel kinderachtig.”
“Kinderachtig? Ik? Jij probeert op slinkse wijze meer dan de helft van onze bezittingen in te pikken! Vind je dát erg volwassen dan?”
Haar stem gaat omhoog in zowel toon als volume. Hij staat op, zij ook. Beiden buigen ze hun bovenlichaam een beetje naar voren, elkaar steeds luidere verwijten toeschreeuwend, waarbij zij haar woorden kracht probeert bij te zetten door met een voet te stampen en hij met een priemende vinger bijna haar oog uitsteekt. Ik laat een vonkje wegspringen, dat middenin al het rumoer stilletjes en onschuldig smeulend op het kleed terecht komt en bijna sluipend koers zet naar de kartonnen doos.
“Doordat ik zoveel opnieuw moet kopen kan ik nog maar twee keer op vakantie dit jaar! En dat zullen geen vliegvakanties zijn”, krijst ze.
“Ach wat zielig voor je! Jij denkt alleen maar aan jezelf! Met een kind op komst is één keer voor ons al een luxe, besef je dat wel?”
“Dat had je moeten bedenken voordat je die hoer neukte!”
Een harde klap luidt een plotselinge stilte in, die verbijsterde blikken van de ruziemakers onthult. Dan heft zij haar hand en slaat ze hem terug, precies op het moment dat de vonk is gegroeid tot een voorzichtig vlammetje dat aan de rand van de doos begint te likken. Hij ziet het het eerste.
“Brand!” roept hij.
“Help!” is haar antwoord.
De onenigheid vergeten ondernemen ze allebei actie. Zij gaat staan rommelen in de gangkast, terwijl hij nerveus toetsen indrukt op zijn minuscule mobieltje zonder aan feitelijk bellen toe te komen. Als ze eindelijk tevoorschijn komt, nog keiharde sponzen en zemen opdiepend uit de emmer die ze onder alle Swiffers, Robomops, antistatische doeken en de zakloze stofzuiger heeft gevonden, staat hij met de ongebruikte telefoon in zijn hand naar het vlammetje te schoppen, dat zich voedt met het karton en langzaam groeit.
“Wat doe je?” hijgt ze, terwijl ze naar de kraan snelt en de emmer begint te vullen.
“Uittrappen! Ik kon het nummer van de brandweer niet vinden.”
Zijn bewegingen geven mijn kleine schepping alleen maar meer lucht en het vuurtje neemt volwassener vormen aan. Het begint nu aan het plastic dienblad te vreten, dat mismoedig omkrult.
Met een grote plens maakt ze een einde aan de commotie. Een paar druppels raken mij, maar op een waarschuwend sissen na houd ik me gedeisd. Hijgend en ontzet staan ze elkaar aan te kijken. Dan zegt hij: “Ik houd van je.”
Hij doet een aarzelende stap in haar richting en ik word witheet, ziedend, als zij niet direct een even grote pas achteruit zet. Ze heft haar hoofd om hem recht in de ogen te kunnen kijken.
“Ik heb nooit van jou gehouden”, antwoordt ze met krachtige stem.
Een paar seconden lang staan ze elkaar aan te staren, hij met ongeloof en verbijstering, zij met bewonderenswaardige onbewogenheid. Hij heft zijn hand, haalt hem door zijn haar en beent het appartement uit. Als de deur met een luide klap achter hem dichtslaat, gilt ze: “En als ik de auto niet vaker krijg, dan wil ik de helft van de waarde!”

Daar staat ze, op een druipend kleed, naast een half vergane doos die zompig ineenzijgt onder het gewicht van de koffiebenodigdheden en het aangevreten dienblad. Rinkelend braken de kopjes de inmiddels lauwe koffie uit over het kleed. Een enkele traan vergezelt haar als ze ze weer op het blad zet en naar de keuken brengt. Meer tranen volgen als ze terugkomt met een vuilniszak, waar ze met verwoede gebaren zowel de doos als het kleed in propt. Dan gaat ze op de bank over haar litteken zitten wrijven, zich kennelijk niet meer bewust van mijn kwijnende bestaan. Onverstandig van haar. Ze weet dat ik aandacht nodig heb en dat er nare dingen kunnen gebeuren als ze niet oplet.

Ze stopt met wrijven en staat op, loopt met een korte blik op de thermostaat naar de slaapkamer en komt terug in een dikke trui. De stapel folders, die water en vuur heeft weten te overleven, pakt ze op en ze komt dicht bij me zitten. Het doorlopend krediet legt ze op haar schoot, met daarbovenop een reclame voor Blokker, waar ze tegen zachte prijsjes digitale fotolijsten en Senseo’s kan krijgen. De aanbiedingen van Zeeman voert ze aan mij, maar niet de folder met de allernieuwste mobieltjes. Natuurlijk, die van haar is al bijna een jaar oud. Ook de met gouden versieringen gelardeerde brochure met een iPod, een Nintendo DS en een gigantische flatscreen tv belandt op haar stapeltje, waarna ik het plaatselijke sufferdje in hapklare proppen krijg toegeworpen, gevolgd door de Hema-folder. Gulzig verteer ik ze en als ik een grote hoeveelheid lucht schep, kan ik niet voorkomen dat er wat gas uit me vrijkomt.
De telefoon gaat en ze legt het stapeltje dat ze nog moet uitzoeken naast zich op de grond. Bovenop ligt de aankondiging van de nieuwe collectie bij Hunkemöller, die er verrukkelijk uitziet.
“Hoi mam”, klinkt het vermoeid. In het zwijgen dat volgt rook ik nog maar wat. Dan wordt het getetter aan de andere kant van de lijn onderbroken door: “Mam, ik bel je vanavond even terug, oké? Ik heb barstende koppijn en moet nog spugen.” Ze wacht het antwoord niet af.
Natuurlijk krijg ik de lingerie niet, noch de folder met parfum en allerhande smeerseltjes, de Bijenkorfaanbiedingen of de sieradenreclame. Wel krijg ik een blaadje met goedkope kussens, omdat zij kiest voor een ergonomisch exemplaar uit een chique winkel.
Ikke, ikke, ikke. Egoïstisch kreng dat ze is. Ineens heb ik er genoeg van.
Een oude vlam beet me ooit toe dat ik zo verstikkend kon zijn. Ik geef hem nu gelijk. Ze begint te kokhalzen, staat moeizaam op, maar haalt de wc niet doordat ze op haar benen staat te zwaaien als de eerste de beste dronkenman. Het stapeltje dat ze voor zichzelf wilde houden is nog bezig naar de grond te zeilen als ze valt. Haar adem stokt en een spasme zorgt ervoor dat de folder met het ergonomische kussen stevig tussen haar vingers wordt geklemd. De sieraden zweven zomaar naar me toe en ik doe me eraan te goed. De folder van Hunkemöller belandt naast haar voet. Ik kan er net niet bij.