Fatale achteruitgang



Er waren veel te veel mensen op de begrafenis van het kind dat ik heb gedood. Dat die jongelui uit de straat, waarvan ik weet dat ze een hekel aan hem hadden, er waren kan ik nog enigszins volgen; in hun jeugdige waan kunnen ze niets met de schok van vroege sterfelijkheid. Ook de aanwezigheid van uit alle hoeken van het land toegesnelde familieleden was vanzelfsprekend. Zelfs het hoofd van zijn school, Willem van den Bergh, begreep ik. Hij moest wel. Maar al die anderen die, gekleed in het wit, luid stonden te snikken? En die mensen met camera’s?
En ik? Volgens mij behoorde ik niet tot het diegenen die te veel waren. Ik heb direct met de familie van doen, met de familie té doen ook. Ik ben een onschuldige oude man, die tot zijn grote ontsteltenis de dood van een kind op zijn geweten heeft. Het was een ongeluk. Dat weet iedereen.
Toch hield ik me een beetje afzijdig. In de airconditioned droge aula van de begraafplaats stond ik vlakbij de deuren die door een uitgestreken dame waren gesloten nadat het volk naar binnen was gedromd. Er waren niet genoeg stoelen. Een jong ding bood me nog wel haar zitplaats aan, maar die weigerde ik. Een heer laat het zwakke geslacht niet staan. Dus leunde ik zwaar op mijn stok, mijn gezicht vol treurnis en berouw.
De vader besteeg het spreekgestoelte en droeg met brekende stem een gedicht voor, waarvan hij beweerde dat Donny ervan had gehouden. De kist, gesloten, stond achter hem, met erop en eromheen een hoeveelheid bloemen en knuffels die de zee aan aandenkens op de plek van het ongeluk deed verbleken. Een luid snikken vanaf de voorste bank kliefde door het vers. De moeder, een vrouw met bijna wit geblondeerd haar, liet haar verdriet de vrije loop. Met schokkende schouders nam ze een zakdoekje aan van een dame op leeftijd naast haar, maar droogde haar tranen aan de mouw van de witte blouse die ze droeg. Iets in het profiel van die oudere dame kwam me bekend voor, maar een naam of zelfs maar een locatie kon ik niet met haar associëren. Misschien leek ze, met haar kapsel, gewoon sprekend op al die andere oudere vrouwen die het dunner worden van hun haar proberen te verdoezelen met een permanentje in het model van een douchemuts.
De vader rondde het gedicht af en zocht zijn plaats weer op, ruimte gevend aan Willem, die ook iets wilde zeggen. De man had tijdens het spreken voor een foto van Donny gestaan. Het jongetje keek brutaal de aula in, de korte haren bovenop zijn hoofd in een vettige kuif, de langere haren in de nek pluizig.

Toen ik hem destijds leerde kennen droeg hij het niet zo. Ik vond het een grappig kereltje met zijn rechtopstaande piekhaar. Hij was een jaar of zes en kwam met grote ogen staan kijken hoe ik de heg langs de oprit knipte. Zijn vader had vast zo’n modern apparaat, maar ik deed het nog met een gewone heggenschaar, die ik na enkele minuten met kleine knipjes in de richting van het jongetje bewoog alsof ik de eigenwijze pieken op zijn hoofd wilde snoeien. Hij rende lachend een eindje uit de buurt, maar kwam weer terug toen ik een rolletje pepermunt uit mijn broekzak haalde en hem er een aanbood.
Vanaf dat moment kwam hij regelmatig een pepermuntje halen als ik buiten bezig was met het knippen van de heg, het wassen van de auto, of het wieden van onkruid in de voortuin. We keuvelden wat bij dergelijke gelegenheden, over de klas waarin hij zat en die ik groep moest noemen, of over de insecten die we zagen lopen en vliegen. Als entomoloog kon ik hem er van alles over vertellen en hij luisterde aandachtig, soms met grote verbazing over de ingenieuze veelzijdigheid van die kleine beestjes. Ik mocht hem graag. Hij huilde nooit, in tegenstelling tot mijn eigen kinderen vroeger. Toen Els zwanger raakte dacht ik nog dat het leuk zou zijn vader te worden. Ik stelde haar zelfs voor om te trouwen, maar als halve hippie vond ze dat een verschrikkelijk burgerlijk idee. Het was haar kind, ik had het hooguit verwekt, al zinspeelde ze erop dat ook dat niet zeker was. Wel was ze bereid haar geliefde Amsterdam te verlaten om met mij in mijn kamer, en later een minuscuul flatje, te gaan hokken.
Ik droomde van fietsen en vissen met een leuk klein jongetje, maar kreeg na negen maanden een luid krijsend meisje dat vooral op haar moeder leek. Pas toen ze meer haar kreeg en ik zag dat het net zo steil en blond was als ik zelf vroeger had gehad, had ik zekerheid dat ik de vader was. Toch wist ik niet goed wat ik aanmoest met de baby. Soms duwde Els haar in mijn armen als ze klaar was met voeden, waarop ik haar moest laten boeren met als resultaat een golf zurig schuimende melk op mijn schouder - meestal net naast het lapje dat erop was gelegd. Kwam het wel op het lapje terecht, dan trok het er zo snel doorheen dat het toch op mijn kleren zat tegen de tijd dat ik het kindje (“Voorzichtig met het hoofdje!”) in haar wieg had gelegd. Niet alleen mijn leven was volledig veranderd door de komst van mijn dochter, ook Els was onherkenbaar. Het enige waarover ze nog kon praten was het kind; een afwijking waar, ontdekte ik later, alle verse ouders aan lijden.
Tegen de tijd dat het kleine meisje begon te lopen, wat gepaard ging met veel vallen en dus grienen, raakte Els opnieuw in verwachting. Deze keer schonk ze me een zoontje. Het probleem met hem was dat er dagen waren die hij onafgebroken dreinend doorbracht, een stuitende snottebel onder zijn neus, ontroostbaar, wat we ook deden.
Toen hij één jaar was en zijn zusje drie, ging het mis. Els was boodschappen aan het doen en had de kinderen onder mijn hoede achtergelaten. Ik was net afgestudeerd en verdiept in de vacatures in de krant, trachtend mijn zoontje te negeren. Hij had weer eens een dreindag en zat op een kleed tussen zijn speelgoed, dat hij ontevreden van zich af gooide. Zijn zusje was op een stoel geklommen en zat er zo op te wiebelen dat het ding met kind en al achterover smakte. Ik zag meteen aan haar gezicht dat ze het op een krijsen wilde zetten en snelde naar haar toe om een kusje te geven op de handjes waarmee ze haar val had weten te breken. Helaas waren mijn kusjes niet zo magisch als die van haar moeder. Voor ik het wist gutsten de tranen uit de oogjes, begeleid door een oorverdovend loeien. Aangemoedigd door het gedrag van zijn oudere zus begon mijn zoontje ook zijn volume op te schroeven. Op kalmerende toon zei ik dat er niets aan de hand was, zonder resultaat. Vervolgens riep ik “Stil!” maar ook dat maakte geen indruk. Het gegil en gekrijs maakte me razend en voor ik het wist had ik ze allebei uit pure machteloosheid een tik gegeven, wat natuurlijk gevolgd werd door een zo mogelijk nog luider gejank.
Op dat moment kwam Els binnen. Ze liet de tassen met boodschappen vallen en snelde naar haar kroost, dat ze met sussend gefleem probeerde te stillen, terwijl ze mij met een verwijtende blik aankeek. Niet in staat nog langer in die heksenketel te verblijven, beende ik de kamer uit, pakte mijn koffers en verdween, mijn flatje uit, die stad uit, hun leven uit. Ik huurde een tochtige zolderkamer aan de andere kant van het land en toen ik een baantje had gevonden stuurde ik een brief aan Els met mijn nieuwe adres. Ik vroeg ook of ze een bijdrage wilde voor het onderhoud van de kinderen. Er kwam geen enkele reactie van haar. In een tweede brief zei ik dat het me speet dat het allemaal zo gelopen was en nogmaals dat ik bereid was financieel mijn verantwoordelijkheid te nemen. Deze kwam ongeopend retour. ‘Geadresseerde onbekend’ had ze er in haar kinderlijk ronde handschrift op geschreven. Enkele maanden later verhuisde ik opnieuw, zonder haar een adreswijziging te sturen. Ik heb het drietal nooit gemist en zij mij kennelijk ook niet.

Misschien was het deels schuldgevoel waarom ik zo vriendelijk was tegen Donny. Wellicht had ik het idee mezelf te moeten bewijzen dat ik best met kinderen kon omgaan, als ze maar niet zo huilden. En dat heb ik Donny zoals gezegd nooit zien doen, zelfs niet toen hij, bedekt door zijn verkreukelde fiets, lag dood te gaan op straat.
Vanzelfsprekend heb ik direct mijn rijbewijs ingeleverd nadat het gebeurd was. Terwijl de ambulance met zwaaiende sirenes tevergeefs probeerde het kind op tijd in het ziekenhuis te krijgen, begeleidden twee agenten me over mijn oprit, de voordeur door, tot aan de eettafel, waaraan ik me beverig zette. Ongevraagd namen ze ieder een stoel, waarop de vrouwelijke agente een notitieblokje op tafel legde en me met een pen in de aanslag vragend aankeek. Ik pakte mijn portemonnee, haalde de roze kaart eruit en schoof die met trillende vingers naar haar toe, stamelend: “Het ging allemaal zo snel. Ik had hem helemaal niet zien aankomen.”
Ze klopte me op mijn onvaste hand.
“U zult wel verschrikkelijk geschrokken zijn.” Een dergelijke opmerking kan ook alleen maar van een vrouw komen. Toch deed zij tenminste iets. Haar collega zat onderuitgezakt, kennelijk ongeïnteresseerd, op zijn stoel. Hij was Marokkaans, of misschien Turks, ik zie het verschil niet. In elk geval was het een buitenlander en die hebben altijd de neiging anderen hun werk te laten opknappen. Niet dat ik iets van mijn ongenoegen heb laten blijken natuurlijk. Ik weet dat je in deze tijden niet zomaar alles kunt zeggen zonder gepikeerde repliek te krijgen. Zoals onlangs nog, toen ik met Willem van den Bergh stond te biljarten in het buurthuis, en ik opmerkte dat homo’s altijd zo overdreven vrouwelijk doen. Hij reageerde natuurlijk weer als een schoolmeester en doceerde: “Mensen die zeggen dat andere mensen altijd iets doen, liegen per definitie. Altijd.”

Willems voordracht duurde niet lang. Hij vertelde hoe Donny altijd levendig was, soms een beetje koppig (wat met instemmend gegrinnik werd beaamd), maar vooral een fijne zoon voor zijn ouders.
“Ik wens u alle mogelijke sterkte en kracht toe”, zei hij met een ernstige knik naar de witgeblondeerde vrouw en haar man, “bij het verwerken van dit immense verlies ten gevolge van een tragisch ongeluk.”
Ik weet zeker dat ik me niet verbeeldde dat hij bij de laatste woorden geenszins naar de ouders keek, maar naar mij, met een priemende, misschien zelfs beschuldigende blik. Wat ik me wellicht wel verbeeldde is dat sommige andere mensen in de aula zich naar mij omdraaiden. Ik durfde niet te kijken, hield mijn droef geplooide blik gericht op de spreker, maar voelde hoe mijn gezicht langzaam warm werd.
Willem van den Bergh ging weer zitten en bleek de laatste die iets ten afscheid wilde zeggen. Er werd muziek gedraaid, Donny’s lievelingsmuziek, van die stampende nietszeggende rommel waarop de kinderen van tegenwoordig als mislukte apen staan te springen. Een minuut lang bleef iedereen lijdzaam zitten, waarbij het kabaal over hen heen denderde. Daarna kwam de kist in beweging, gevolgd door de ouders en de rest van de voorste rij. Terwijl de aula, geordend als was het geoefend, leegliep, snelden een paar glibberige heren naar de plek waar de kist had gestaan. Gehaast gooiden ze de bloemen en knuffels in een paar vuilniszakken, waarna ze via een achterdeur verdwenen. Samen met enkele anderen die ook geen zitplaats hadden gehad sloot ik de zwijgende stoet, die zich langzaam over een kiezelweggetje voortbewoog, naar wat de laatste rustplaats van het kind zou zijn. De mensen met de camera’s waren vooruit gesneld en stonden aan het begin van een zijpad te filmen hoe twee vrouwen van middelbare leeftijd elkaar snikkend ondersteunden. Het leek me niet dat zij familie waren; daarvoor liepen ze te ver naar achteren. Wellicht was het vooral hun eigen droevige leven waar ze zo onder leden. Toen ik het zijpad naderde richtte de camera zich op mij en bleef me verwijtend volgen tot ik voorbij was.
Achter de graven rezen statige hagen op, die de locatie een gevoel van beslotenheid moesten verschaffen. Ze gaven me het idee dat er elk moment een hoofdje piekhaar naast kon opduiken, zoals op die dag dat ik bezig was met onkruid wieden. Donny keek om de heg heen, liep de oprit op en ging zwijgend staan toekijken. Hij kwam niet de tuin in, dus wenkte ik hem om hem te wijzen op een lieveheersbeestjeslarve die zich op een rozenblad tegoed zat te doen aan wat luizen. Hij kwam langzaam dichterbij en trok een gezichtje vol afschuw toen ik vertelde wat het primitief ogende wezentje was.
“Maar hij lijkt helemaal niet op een lieveheersbeestje! Dit is een monster, een alien!”
“Sommige insectenkinderen zien er heel anders uit dan hun ouders. Je weet toch ook wel dat een vlinder vroeger een rups is geweest?”
Hij keek me strak aan met die koele blauwe ogen van hem en gaf geen commentaar, waarop ik aannam dat dit misschien wat te veel informatie was voor zijn kinderhersentjes. Ik grabbelde in mijn broekzak.
“Wil je een pepermuntje?”
In plaats van het bekende gretige graaien in de strakke rol, deinsde hij deze keer achteruit.
“Ik neem geen snoep aan van vreemde meneren. Je bent een vieze oude man!” Hij riep het uit alsof hij iets overwonnen had, draaide zich toen om en rende weg.
Nog maandenlang heb ik er altijd voor gezorgd dat ik pepermuntjes bij me had, maar Donny kwam nooit meer kijken wat ik aan het doen was.

De wandeling naar het graf was tamelijk lang en de lucht was kil. Het speet me dat ik bij het vertrek uit het gebouw mijn colbert niet uit de garderobe had gehaald.
Zoals het hoort had ik die ochtend een net, donker pak aangetrokken en de das met de ingetogen grijze strepen zorgvuldig gestrikt. Echter, toen ik bij de ‘afscheidsviering’, zoals het op de invitatie genoemd werd, aankwam bleek bijna iedereen in het wit gekleed, kennelijk met een verwijzing naar de kinderlijke onschuld van de overledene. Omdat ik niet al te veel aandacht op mezelf wilde vestigen besloot ik de aula binnen te gaan zonder colbert. Had ik niet goed gekeken op de uitnodiging? Ik kon me niet herinneren dat er vermeld stond dat ik geacht werd in witte kledij te komen, maar misschien was ik op dat moment nog een beetje in de war, verbijsterd dat ik überhaupt een uitnodiging kreeg toen ik de ouders bezocht om hun mijn spijt te betuigen in de vorm van een hulpeloze bos bloemen. Eigenlijk had ik verwacht dat ze me een welverdiend pak rammel zouden geven, maar in plaats daarvan kreeg ik een snikkende moeder in mijn armen en, zoals gezegd, een invitatie. Ik was liever niet gegaan, maar dat zou hoogst ongepast zijn geweest, dus liep ik langzaam in dat laatste deel van de stoet achter die kist aan. Mijn stok maakte diepe putten in de grond aan de zijkant van het pad tot ik me realiseerde dat die berm bestond uit graven. Ik besloot te lopen zonder steun, wat ook prima ging. Met zevenenzestig jaar was ik misschien niet meer de kwiekste, maar die wandelstok was niet meer dan een verdedigingsmiddel.

Toen Donny ouder werd en zijn vroegere vriendjes had ingeruild voor stoere exemplaren in korte, gewatteerde jassen met bontkraag, zag ik hem af en toe weer. De eerste keer dat hij aanbelde en ik de deur opende, was ik blij verrast.
“Hallo Donny”, groette ik vriendelijk. “Wat brengt jou hier?”
“Ik heb beestjes gevangen”, antwoordde hij met een vreemde grijns om zijn mond. Links en rechts werd hij, op een afstandje, vergezeld van twee jochies die net als hijzelf een vettige kuif combineerden met een matje in de nek. Ze grinnikten.
Ik deed een stap achteruit om het drietal binnen te laten, maar Donny schudde zijn hoofd, terwijl hij een jampot uit zijn bomberjack haalde en het ding wild begon te schudden. Door de snelle beweging kon ik niet zien wat erin zat, maar toen hij het deksel naar mij draaide, hem losschroefde en met een kort werpgebaar een vijftal insecten mijn huis in joeg, hoorde ik direct aan het zoemen dat het om wespen ging. Helaas voor hem waren de beesten niet geïnteresseerd in mij of mijn woning. Met een sierlijke boog kozen vier van hen direct het heldere licht van buiten, waarop de jongens het op een rennen zetten. De vijfde zat versuft op de grond en reageerde nauwelijks toen de kat nieuwsgierig aan haar begon te snuffelen. Ik duwde hem zachtjes weg, bang dat het insect alsnog zou steken en schoof haar in een glas om haar buiten bij te laten komen.
Het incident met de wespen was ik alweer vergeten toen enkele weken later opnieuw de bel ging. Donny stond op de stoep en hield iets achter zijn rug.
“Kom je weer wespen naar binnen gooien?” Ik vroeg het zo vriendelijk mogelijk en hoopte tegen beter weten in dat hij gewoon een pepermuntje kwam halen.
“Nee”, antwoordde hij met een brutaal stemmetje. Aan weerszijden van de deur hoorde ik gegnuif en ik begreep dat zijn maten in mijn tuin stonden. Ik zette een stap naar achteren om snel de deur dicht te doen, maar voor ik daartoe de kans kreeg vloog een projectiel vlak langs mijn oren de gang in, waarna een geluid als van een uit elkaar spattende sneeuwbal klonk. Ik realiseerde me dat er helemaal geen sneeuw gevallen was en pas toen keek ik wat er naar binnen was gegooid, terwijl aan de andere kant van de inmiddels dichte deur vluchtende voetstappen klonken. Het snotterige wit van een ei kleefde in een langgerekte vorm aan de vloerbedekking. Ertussen lagen helgele slierten. Mijn hart begon heftig te kloppen en ik moest mezelf minutenlang dwingen rustig te ademen voor ik een sopje kon maken om het vieze goedje op te ruimen. Het lag niet alleen op de vloer. Er waren grote en kleinere spatten op de muren terecht gekomen en nog ergens waar ik het niet kon vinden, want de gang rook nog wekenlang naar rotte eieren. Donny’s vriendjes bleken zich ook niet onbetuigd te hebben gelaten. Links en rechts van de deur waren eveneens eieren beland, die ik diezelfde avond nog, in het donker, heb staan verwijderen, me schamend omdat ik kennelijk zo’n naar sujet was dat kleine jongetjes het nodig vonden hem met eieren te bekogelen.
Ik nam wraak.
Toen ik enkele dagen later kattenvoer ging kopen in de winkelstraat, zag ik ineens Donny en zijn twee kornuiten voor me lopen. Ze waren druk aan het babbelen en zeiden iets wat leek op: “Dan geef ik een rondje”, wat me onzinnig leek, want ze waren nog lang niet op een leeftijd dat ze alcohol mochten drinken. Ik bedacht me geen seconde en was met enkele grote passen vlak achter hen. Voor hij doorhad wat er gebeurde greep ik Donny bij zijn bontkraag, hem bijna de lucht in tillend. Nijdig bracht ik mijn hoofd vlak bij het zijne en zei: “Zo, jou heb ik. Nu zul je eens zien wat er gebeurt als je eieren bij mensen naar binnen gooit. Meekomen jij!” Zijn koele blauwe ogen waren rond van angst en ik moest een zelfingenomen grijns onderdrukken toen ik hem aan zijn kraag meetrok.
“Jullie ook!” snauwde ik tegen zijn maten, die geschrokken stonden toe te kijken. Ze volgden gedwee. Ik had duidelijk de leider te pakken en, te oordelen naar de tevreden blikken van enkele omstanders, iemand die niet alleen mij het leven zuur maakte.
Toen ik het drietal mijn huis in had gedirigeerd en de deur op slot had gedraaid, duwde ik hem de keuken in. Ik hield nog altijd zijn kraag vast, waardoor hij de hoge schouders van een huichelachtig persoontje leek te hebben. Met één hand opende ik de koelkast en haalde er een pak eieren uit, dat ik onhandig opende. Toen de eerste met een luide ‘flats’ de tegelvloer raakte sprong Donny op.
“Kijk uit man! Dit zijn dure schoenen, gek!”
Ik pakte een tweede ei en liet die neerkomen tussen de voeten van een van zijn maten, tevreden over de gore spatten die niet alleen op zijn Nike’s, maar ook weer op die van Donny terecht kwamen. Nadat ik het derde ei met zo veel mogelijk kracht uit elkaar had doen spatten gaf ik ze alle drie een lapje en beval hun de boel schoon te maken. “En ik wil nergens meer een vlekje zien!” voegde ik er aan toe. Twee uur lang heb ik ze op vuil gewezen - ook vuil dat niet afkomstig was van eieren - en twee uur lang hebben de jongens op hun knieën zitten poetsen, terwijl de kat en ik vergenoegd toekeken. Onderwijl drong de viezigheid zo diep door in hun dure schoenen dat ik betwijfel of ze ooit weer schoon te krijgen waren. Toen ik hen uiteindelijk liet gaan, dacht ik dat ze hun lesje wel hadden geleerd.
Helaas had ik het mis.
Ze hadden verzonnen dat het een reuzeleuk spel was om dingen door mijn brievenbus te gooien die niet onder de noemer ‘post’ vallen. Takken en kevers vond ik niet zo erg, een half opgegeten boterham met pindakaas kon ik ook nog wel hebben, maar de hondenpoep die ze erdoorheen propten veroorzaakte opnieuw heftige hartkloppingen. Ze deden het altijd ’s avonds als ik televisie zat te kijken, dus nam ik een plankje dat ik iedere namiddag na het ontvangen van de krant voor de brievenbus schroefde, en iedere ochtend weer weghaalde opdat de postbode zijn vrachtje kwijt kon. Dit maakte dat de rust eindelijk wederkeerde, tijdelijk.
Het was oudejaarsdag, nog redelijk vroeg in de avond, toen de bel ging. Denkend dat het vast de krantenjongen was die zijn jaarlijkse fooi kwam halen, deed ik open om het grijnzende gezicht van Donny te ontmoeten. Hij was alleen en had een sigaret in zijn vingers die groen gloeide en die hij niet naar zijn mond, maar naar zijn hand bracht. In het donker kon ik niet zo goed zien wat het was, tot er iets oplichtte en hij het naar me toe gooide. Een rotje stuiterde rond mijn benen en ik probeerde hem weg te schoppen tot ik besefte dat dat me mijn voet kon kosten, waarop ik zelf zo snel mogelijk de gang in liep. Net op tijd, want het ding ontplofte met een verschrikkelijke knal.
Een nieuw projectiel kwam naar binnen zeilen en ik herinner me dat ik, ondanks de lichte paniek, bewondering had voor het goede mikken van de jongen, want wederom belandde het rond mijn benen. Nu stond ik naast de paraplubak, waarin ik ook de wandelstok bewaarde die ik had aangeschaft toen ik mijn voet had verstuikt. In één vlugge beweging had ik hem gepakt en hockeyde ik het rotje terug naar buiten, waar hij vlak voor Donny tot ontploffing kwam. Mijn belager koos het hazenpad en ik loop sindsdien met die stok.
Lopend op dat pad, een beetje scheef uit gewoonte, realiseerde ik me dat ik hem niet meer nodig zou hebben.

Toen we bij het graf aankwamen, bleken de knuffels en bloemen die eerder in grote haast uit de aula verwijderd waren, rond het gat in de grond geschikt. De kist werd op een stellage met riemen gerold, die in verbinding stond met een paal waarop zich een knop bevond. Ervoor stond de begrafenisondernemer, alsof hij het ding aan het zicht wilde ontnemen.
De moeder deed een paar stapjes in de richting van het gat, ondersteund door de oudere dame. Ze fluisterden wat, de moeder schudde huilend haar hoofd en de vrouw op leeftijd richtte zich tot de kist.
“Je oma en je ouders kunnen niet geloven dat wij jou hier nu staan te begraven, lieve Donny. Het zou andersom moeten zijn. Maar helemaal afscheid nemen we niet. Je zult altijd bij ons blijven, in ons hart.”
Ik had liever enkele troostende woorden van een meer ervaren persoon gehoord, zoals een dominee, maar zo iemand was er niet. Dit waren duidelijk ongelovigen, wat dan ook gelijk het gebrek aan normen en waarden van Donny verklaarde.
De kist zoemde langzaam naar beneden, kwam op de bodem tot stilstand en werd in vliegende vaart van de riemen ontdaan. De geblondeerde vrouw werd door de oudere dame zachtjes in haar arm geknepen, waarop ze een witte roos op de kist wierp. Daarna nam ze een handje van de berg zand naast het graf en wierp het snikkend in het gat.
Er werden klokken geluid. De doffe galm leek een beetje op de metalige klap die iedere ochtend op de hoek van de straat klonk, als Donny over de stoep kwam crossen op zijn groen gespoten fiets en in de bocht een harde trap gaf tegen de lantaarnpaal die daar, door deze behandeling, meestal stuk stond te zijn. Het gebeurde zo steevast dat ik de zes seconden tussen de klap en het moment dat hij langs mijn huis racete niet eens meer hoefde te tellen.
De vader volgde het voorbeeld van de moeder en gooide eveneens een handje zand op de kist, gevolgd door de oma en de rest van de aanwezigen, die een brave rij vormden. Ergens in het midden van de groep mensen werd gesmoesd en vanuit mijn ooghoeken zag ik een priemende vinger mijn kant op wijzen. Ik rechtte mijn rug en keek een andere kant op, waar ik de ogen van de vrouwelijke agente ontmoette. Ze glimlachte vriendelijk naar me.
Ik was een van de laatsten die zand wierp en zag de kist al niet meer, noch de camera’s die na de bijdrage van de ouders hadden gevonden dat de rest niet interessant was en hun spullen nogal luidruchtig hadden ingepakt. Gelukkig hadden de nabestaanden dat niet gehoord; zij waren alweer vertrokken naar een zaaltje, waar we in plaats van koffie en cake getrakteerd werden op cola en chips. De versnaperingen sloeg ik af en ik voegde me achter een volgende rij om de familie te condoleren, nog altijd een beetje verkleumd, verlangend naar mijn colbert.
“Hartelijk gecondoleerd”, zei ik tegen de vader toen ik aan de beurt was. “Nogmaals, het spijt me echt verschrikkelijk.” De man knikte afwezig, registreerde waarschijnlijk helemaal niet welke hand hij nu weer schudde. Ook de moeder betuigde ik mijn leedwezen en ook zij keek niet eens wie er voor haar stond. De dame op leeftijd deed dat echter wel.
“Wat doe jij hier?” vroeg ze met zowel verbazing als nijd in haar stem.
Enige irritatie onderdrukkend omdat ze de moderne gewoonte om mensen ongevraagd te tutoyeren kennelijk had overgenomen, antwoordde ik: “Uw dochter heeft me een uitnodiging gegeven.”
Haar wenkbrauwen schoten omhoog en weer kreeg ik een gevoel als van een déjà vu. Het gebaar kwam me zo bekend voor.
“Zei je nou ‘uw dochter’?”
Ik begreep de vraag niet.
“Herken je me niet? Ik ben het, Els. Zij is ook jouw dochter, weet je nog?”
Dat ik voorheen gedacht had dat ik het koud had, kwam me op dat moment belachelijk voor. Enkele seconden lang voelde ik me alsof ik van top tot teen in ijs gekleed ging. Direct daarna brak het zweet me uit en kreeg ik het verschrikkelijk benauwd. Els. Mijn dochter. Dus Donny… ik greep een glas verlaten cola van een statafel en nam een paar enorme slokken. Ineens herkende ik niet alleen Els, maar ook de koele blauwe ogen van de jongen zoals ze spottend naar me keken toen ik hem zes seconden na de metalige klap stond op te wachten en zijn fiets greep om hem tot stoppen te dwingen.
“Wat nu, ouwe?” had hij gevraagd.
“Mijn kat! Mijn kat is besmeurd met precies dezelfde kleur groen als jouw fiets! Hij loopt al dagen te kotsen van dat giftige spul. En ik krijg het er niet allemaal uit!”
Hij trok zijn wenkbrauwen op precies zoals zijn grootmoeder dat vroeger deed en zei honend: “Wat zielig nou! Moet ‘ie maar niet tegen mijn fiets zeiken.”
Ik stond versteld van de onverschillige bekentenis en liet hem gaan toen ik achter mij opnieuw hoorde hoe het arme dier over zijn nek ging. Met vochtige doekjes bleef ik proberen de verf uit zijn vacht te krijgen, maar er kwam nauwelijks wat vanaf.
Die avond stierf mijn kat.
De volgende ochtend deed ik hem in een doos om hem in het bos te begraven. Secuur bond ik het karton dicht met stukken touw, waarna ik het op de bijrijderstoel vastgespte. Ik ging achter het stuur zitten en startte de motor. Vier seconden na de metalige klap op de hoek gaf ik flink gas en reed ik achteruit de oprit af.