Een nieuwe trui



Arne probeert zich sneller door de deinende mensenmassa voort te bewegen dan eigenlijk mogelijk is. Voor hem loopt een groepje pubers dat giechelend en kwebbelend geen duimbreed toegeeft, ook niet als hij zich bijna onfatsoenlijk tegen het meest linkse meisje aandrukt. Ze draait zich half om, kijkt hem even aan met holle ogen, steekt dan haar hand door de arm van haar vriendin en slentert kalm voort. Geen haast, geen doel. Arne heeft eigenlijk ook geen haast, maar hij probeert de tijd die hij op deze zaterdagmiddag in het centrum moet doorbrengen zo kort mogelijk te houden. Hij kan leukere bezigheden bedenken, massaloos vooral.
Als dat grote gat, dat spontaan in zijn lievelingstrui is gevallen, nu maar was weggebleven! Rechts van hem doemt een winkel op met mannelijke paspoppen in de etalage, de eerste na zeker tweehonderd meter trage ergernis en veelkleurige dameszaken, en hij schiet naar binnen. Uit onzichtbare speakers komt onnatuurlijk zachte en vriendelijke muziek, die fluisterend aankondigt dat de teendikke vloerbedekking vijftig procent op de eerlijke prijs zal leggen. Arne kijkt even zoekend om zich heen en loopt dan op goed geluk op een rek toe.
“Kan ik u ergens mee helpen?” Hopla, nog eens twintig procent voor de strelende stem.
“Ik... ik zoek een nieuwe trui.” Hij is hier nu toch. De massa blijft buiten. Ze verkopen hier truien, dus hier zal hij moeten slagen.
De verkoopster neemt hem van top tot teen op, een beetje koket, zoals een vrouw zou doen als ze hem interessant zou vinden. Zou. Dan loopt ze drie rekken verder en komt terug met een poepbruine coltrui.
“Warme kleuren passen bij u. Deze is aangenaam om te dragen, synthetisch, voel maar.” De glibberige stof wordt Arne voorgehouden en hij streelt het ding. Tien procent extra en het moet vast altijd naar de stomerij. Hij neemt het ding aan en laat zich naar een paskamer wijzen. Het ruikt er naar rozenpotpourri. Gordijn dicht, halfdoorschijnend. De verkoopster drentelt onhoorbaar voor de afscheiding. Waarom houdt iedereen toch zo van rozen? Met hun doorns? Hun dreiging, verscholen onder een zoet hoofd? De laatste trui die hij nog heeft laat zich makkelijk uittrekken; hij is naar zijn lichaam gaan staan, is hem omgegroeid. Van buiten komt een frisse bries, die de haren op zijn arm rechtop blaast. Arne rilt terwijl hij de warmte van de centrale verwarming blijft voelen. Er hangt een smorende sfeer. De verkoopster trekt een overgordijn over de transparante vitrage dicht en ontneemt daarmee het ontblote bovenlijf aan het zicht van niemand die zich in de winkel bevindt. En andersom. Hij had dat ding niet gezien. Zijn schaamte wordt bedolven als hij de synthetische col over zijn hoofd probeert te wurmen, eerst voorzichtig omdat hij bang is dat hij de voelbaar fragiele stof scheurt, dan ruwer omdat hij geen adem meer krijgt. Het ding zit. Strak om zijn bovenlijf en benauwend om zijn hals. Verstikkende handen. Arne draait zich om naar de spiegel en kijkt naar het kleine jongetje dat hem met grote ogen aankijkt. Het gordijn beweegt, maar hij mag niets zien. Van buiten komen geluiden van de straat naar binnen wuiven op de golven rozengeur. Gelach, ritsels, een kreun? De trui staat hem absoluut niet; hij hangt recht en strak naar beneden en ontkent zelfs de kleinste hint van spiermassa.
“Lukt het?”
Arne mompelt. Hoe wist ze dat hij hier was? De ogen van het kleine jongetje in de spiegel zijn nog groter, angstig betrapt. Ze staat voor hem, lang, nog slungelig na de laatste groeistuip, maar toch altijd even mooi. Meester Peter staat gehaast op achter de rozenstruik, hij kijkt niet om, maar zijn nek is te bekend. Het kleine jongetje doet een stap achteruit en raakt bijna verstrikt in de vitrage met onzichtbaar gordijn. Daglicht. De streling: “Hij staat u geweldig, vindt u niet? Zo warm die kleur, zo mooi bij uw ogen!” Warm, ja warm. Veel te warm, zwoel, zomer, verstikkende hitte. De verkoopster keurt van een afstandje, haar gezicht in een inschattende plooi. Ze komt naar hem toe.
“Je hebt niets gezien, hoor je! Want anders...”
Ze legt zijn handen om zijn hals die toch al geen ruimte had om te ademen.
“Even die col goed.”