Als goden in Frankrijk | |
In het vlekkerige zonlicht onder de treurwilg, die als een moederkloek haar armen spreidde naar de om haar heen verzamelde tafeltjes, trok een brede, tandeloze grijns het gezicht van een oud mannetje open. Hij stond verrassend soepel op. “Bonjour, mon frère!” De groet tussen de twee mannen was nog warmer dan de middagzon. Ik tuurde zo onopvallend mogelijk over de Franse krant die ik die ochtend in mijn overmoed had gekocht. De tweede man, wat minder oud en met een wilde snor die zijn mond volledig bedekte, maakte een gemakzuchtig handgebaar terwijl hij zich op een stoel liet zakken. Op slag kwamen zes obers aanlopen met enorme schalen vol lekkernijen en een fles wijn waarvan het bouquet zich, zelfs over de paar meter afstand tussen ons, geurig in mijn neusgaten vlijde. “En, hoe bevalt het pensioen je?” “Heerlijk, wat een genot!” De snor wipte even op om ruimte te maken voor een escargot. Ik sloeg een ongelezen pagina van de krant om en keek stiekem toe hoe de man, zijn ogen gesloten, het in knoflook gedrenkte beestje doorslikte voor hij verder ging: “Had ik veel eerder moeten doen. Maar ik bleef altijd maar hopen dat ik de zaak er nog bovenop zou kunnen krijgen. Helaas... Toen ze met die vliegtuigen begonnen...” Hij schudde zijn hoofd, een beetje triestig, maar klaarde onmiddellijk weer op toen hij een slok wijn had genomen. Ik speurde rond naar één van de obers om zelf ook zo’n fles te bestellen, maar personeel was in geen velden of wegen te bekennen. De geur die af en toe mijn kant op dwaalde was alles wat ik krijgen kon. Het tandeloze oude mannetje had inmiddels een gebit in zijn mond geduwd, waardoor hij er iets minder rimpelig uitzag. Hij keek zijn broer vriendelijk aan. “Nou ja, je hebt het in elk geval langer volgehouden dan ik. Daar heb ik altijd bewondering voor gehad.” Hij liet zijn hand weifelend over de overdadige tafel zweven, tilde toen een stralend opgepoetste cloche op, waarna hij in de ontsnappende walm ging hangen en diep snoof: “Oh heerlijk, gegratineerde oesters met een champagnesausje!” Ook deze geur dwarrelde mijn richting op. Ik kreeg trek. De snor schepte een lepeltje mee van de zojuist onthulde heerlijkheid. Hij zoog een oester naar binnen, bedroop haar met een slokje wijn en zei: “Ik kon goed begrijpen waarom jij er destijds mee wilde stoppen. Die expansiedrift moest wel tot onheil leiden.” De tandeloze met gebit knikte bedachtzaam. “Tja, dat was zeker mijn beleid niet. Maar ze wilden natuurlijk weer hun eigen strategie volgen in plaats van naar de raad van een oude gek luisteren. In al die jaren was mijn gezag te ver afgekalfd.” Hij duwde een afgescheurd hompje stokbrood naar binnen, dat gevolgd werd door een stuk camembert dat zo zacht was dat ik vanaf mijn zitplaats nog kon zien hoe het probeerde weg te lopen. Hij kauwde langzaam en staarde bedachtzaam voor zich uit. “Eigenlijk begon het al mis te gaan op het moment dat die stalker zijn zoon wilde offeren om maar hogerop te komen. Als ik toen strenger had ingegrepen, dan had ik mijn geloofwaardigheid misschien behouden. Maar ja, dat is achteraf gepraat. Nu zitten we hier en dat bevalt me ook prima.” De snor bewoog op en neer, het knikkende gebaar van zijn drager volgend. Met een elegante beweging leegde de man het restant van de wijn in zijn glas, waarna onmiddellijk een ober kwam aansnellen om een nieuwe fles te brengen. Ik stak mijn hand op, wuifde zelfs even toen ik dacht dat hij bijna mijn kant opkeek, maar tevergeefs. Mijn mond voelde woestijndroog aan. De man met de snor ging zuchtend achterover zitten en stak een enorme sigaar op. Het vuur in zijn donkere ogen flikkerde heel even mijn richting op. Ik dook achter de krant. “Weet je,” hoorde ik de mond met gebit zeggen, “ik wou dat onze broer hierbij had kunnen zijn.” Heel voorzichtig duwde ik het papier weer een centimeter of wat naar beneden. De stem van het mannetje klonk ineens zo verdrietig, zo klein. De takken van de treurwilg bewogen een beetje en legden het gerimpelde gezicht in de schaduw. “Ja, ik ook. Maar ja, hij is nu eenmaal dood. God ja zeg, die zelfmoord... Weet je nog wat voor rel het was toen die Duitse filosoof zijn lijk had gevonden?” Het mannetje met het gebit knikte. “Ja, tragisch... tragisch.” Hij plukte een druif van een uitbundige tros, maar at hem niet op. “Zeg, hoe gaat het eigenlijk met zijn zoon? Ons geliefde neefje?” De snor droop een eindje extra naar beneden. Bij de aroma’s die zich in mijn neus een verleidelijk heenkomen hadden gezocht voegde zich een dikke wolk sigarenrook. Mijn maag knorde. “Slecht. Schizofrenie met een megalomane persoonlijkheidsstoornis zeggen de artsen. Hij is maar niet van de waan af te brengen dat hij de messias is.” Weer flikkerde iets in de donkere ogen mijn richting uit. Ik tilde het papier in mijn gezichtsveld, maar voelde hoe zijn blik door mijn ongelezen krant heen brandde. “Mevrouw?” Ik keek verwoed naar de woorden voor me, bang te verraden dat ik hun hele gesprek had zitten afluisteren. De stem achter de snor klonk nu indringender, dichterbij, naast me. “Mevrouw?” Langzaam liet ik de krant zakken en keek ik op in de tintelogen. “Wilt u misschien een glaasje wijn met ons drinken? Of een hapje eten?” Ik wilde beleefd afslaan, maar het knorren van mijn maag nam de uitnodiging woordeloos aan. Toen ik zat en van een glas overheerlijke wijn was voorzien, tilde de oudste met een grote glimlach een tweede cloche op, waarna hij weids gebaarde dat ik moest toetasten. “Varkenshaasje op een bedje van truffelsalade.” Ik keek geschokt op. “Varken? Maar ik dacht altijd...” Een fonkeloog boven de snor knipoogde naar me en een brede grijns verscheen eronder. “Dat was een geintje. Wisten wij veel dat ze het zo serieus zouden nemen.” | |
Gepubliceerd in de bundel 'Op de Franse toer' n.a.v. een verhalenwedstrijd van stichting TOP, uitgeverij Kontakt. |