Prikkelbare dames



Ondanks de bewolking en de invallende avond is het nog warm als het tuinhek zich met een droge klik zelfstandig achter hem sluit. Hij haalt diep adem en kijkt naar het gammele schuurtje voor zich, van waaruit een nijdig maar zacht gezoem klinkt. De houttinten zijn door het gebrek aan licht niet meer te onderscheiden; alles is gehuld in een asachtig grijs, zelfs de aalbessenstruik met zijn gewoonlijk felrode kleuren. Als het grint van het pad naar het schuurtje gripst onder zijn blote voeten, maakt een vogel zich met paniekerig geritsel los uit de struik. Het wieken van zijn vleugels overstemmen het zoemen uit het schuurtje.
Hij doet nog twee stappen op het grintpad en blijft dan staan. Het zoemen is aangezwollen tot een dreigende wolk van geluid en door het gebroken raampje meent hij de bedwelmende lucht van schimmel te ruiken. Als ze dood zijn moet hij er maar eens grondig schoonmaken.
Hij dwingt zichzelf naar voren en voelt een pijnlijke steek in zijn voetzool. Hij had ook schoenen moeten aandoen. Met een snelle beweging, om zijn evenwicht niet te verliezen, tilt hij de voet op en haalt hij er een licht bebloed, scherp steentje uit. Met een nijdig gebaar gooit hij het ding in de aalbessenstruik, die het verontwaardigd ruisend ontvangt. Dan haalt hij nog eens diep adem, knijpt hij de spuitbus stevig vast en vervolgt hij zijn weg.
Een zweetlucht vermengt zich met de diepgroene schimmelgeuren en een lauwe druppel baant zich met venijnige wriemelpootjes een weg over zijn rug. Hij kijkt achterom, naar waar zijn instincten hem proberen terug te dwingen, en ziet hoe de bloeddruppels uit zijn voet zwarte poeltjes vormen op het doffe grint.
Het zoemen is nu bijna oorverdovend en zwelt af en toe aan tot een borende brom die zijn trommelvlies pijnlijk doet trillen. Hij staat voor het raampje maar kan er niet doorheen kijken. Lichtgrijze vegen vuil en schimmel benemen hem het zicht en het zwart waarvan hij dacht dat het
een gat was, blijkt een krioelende massa beesten. Ze moeten dood, die wespen. Hij wil gewoon bij zijn gereedschap kunnen.
Een spinnenweb waarvan hij maar hoopt dat het verlaten is, klemt zich om zijn hand als hij de afgebladderde grendel probeert terug te schuiven. Hij moet kracht zetten die hij nauwelijks bezit en hoe harder hij duwt en trekt, hoe luider het razende gonzen klinkt. Dan schiet de grendel los en valt de schuurdeur open. Het kraken van de ongeoliede scharnieren is alleen nog op de achtergrond hoorbaar, ver onder de zoemende zwerm die hem omgeeft.
De spuitbus doet niets. Met zijn klamme hand kan hij het ding niet stevig genoeg vasthouden om de benodigde kracht te zetten die het insecticide eruit moet persen. In plaats daarvan duwt hij de bus onwillekeurig naar beneden, waardoor hij uit zijn handen glipt en met een hulpeloze bons op de grond belandt. Hij staat stijf stil met zijn hoofd gebogen in de ijdele hoop zijn gezicht te beschermen tegen de aanstormende wolk insecten en voelt nog voordat hij het ziet, hoe er één met een harde bonk midden op zijn borst botst. Hij herkent haar onmiddellijk en probeert zijn bonzende hart tot kalmte te dwingen in de hoop dat het beest zich niet bedreigd zal voelen. Haar kop is veel te groot voor een gewone wesp en terwijl ze haar achterlichaam op en neer beweegt om hem een aantal pijnlijke steken toe te brengen, ziet hij ondanks de invallende duisternis het vlammend oranjerood tussen de zwarte strepen.
De hoornaar klemt zich stevig aan hem vast, de kop in een venijnige grimas, en laat zich door zijn hulpeloos slaande handen pas wegjagen als het al te laat is.
Hij weet wat er nu gaat gebeuren. Er beginnen zich al vlekken voor zijn ogen te vormen en zijn zweet is zo zwaar dat hij door zijn knieën zakt. Om hem heen wordt een krijgsdans uitgevoerd door de grote insecten. Hij hoort hoe ze een agressief lied gonzen en voelt vaker dan eens één van de langwerpige lichamen op hem landen om een aanval uit te voeren. Zijn huid voelt dik en stug, maar dat voorkomt niet dat hij elke toegebrachte steek pijnlijk voelt. Langzaam maar zeker wordt het ademhalen moeizamer. De buitenkant van zijn blikveld is al helemaal zwart. Hij ziet alleen nog de onderkant van de grijze deur vol kieren. En de spuitbus, net buiten bereik. Het grint snijdt in zijn knieën. Als hij, in een uiterste poging zijn longen te vullen, zijn mond wijd opent, vliegt een grote hoornaar naar binnen om de genadesteek toe te brengen. Het laatste wat hij voelt is het nijdige trillen van snelle vleugels op zijn tong.