Zelfportret



Mijn vader had gelijk. Ik ben niets dan een slappe vaatdoek. Gebruikt, verwrongen en een beetje glibberig van de viezigheid van puberaal experimenteren in een eenpersoons tienerbed. Maar dat ziet niemand. Nu ben ik volwassen. Nu ben ik bijna af.
Mijn vader had wel vaker gelijk. “Zonder beroep ben je niemand,” is één van de wijsheden die hem hebben overleefd. Een waarheid als een kudde koeien in een zomerlandschap. Nog nooit ben ik iemand tegengekomen die niet in de eerste paar minuten van onze ontmoeting de vraag stelde wat ik deed, een doeltreffende tactiek om je op basis van vooroordelen een ongepolijste mening te vormen vanachter een masker van belangstelling. Ik had graag willen antwoorden dat ik kunstenaar was. Kunst beoefenen is de ultieme vermomming van niets doen en men acht je nog ongrijpbaar ook. Maar ik bleek talentloos en bovendien miste ik de zo nodige creatieve geest. Dus ben ik maar rechten gaan studeren.

Die studie was het spieraam waarover ik me spande, de enige stevigheid in een wereld zonder energie, karakter of gevoel. De vaatdoek werd bewerkt, zoog zich vol met lijmwater, oliedomme kennis en stevige grondverf. Herboren voelde ik me, een tabula rasa, klaar om van boven tot onder gevuld te worden met indrukken van buiten, nutteloze geleerdheid, gewenst gedrag en logische reacties.
De eerste schetsen leken nergens naar. Onbeholpen, valse streken waren het, doorzichtige leugens met onnavolgbare lijnen die voornamelijk verwonderde gezichten oogsten. De lieftallige kin van dat meisje dat na mijn Eerste Keer (eindelijk, eindelijk!) vroeg hoe ik me voelde, verschrompelde tot een trillerige pudding vol butsen toen ik schouderophalend antwoordde: “Leeg.” Wist ik veel. Wie stelt er dan ook zo’n vraag?
Ik heb lang gestudeerd op een betere reactie.
Langzaam maar zeker werd de opzet zichtbaar en kreeg ik vorm. Ik specialiseerde me in rechtsfilosofie en schilderde zo de mensheid voor dat ik een nadenkend, integer karakter had. Dat werd goedkeurend ontvangen. Ik verliet mijn moeder, die na de dood van haar man toch alleen maar verbitterd zat te bladderen, voor een kamer in een luidruchtig studentenhuis. En ik nam een vriendin. Een rode met sproeten en een tekenende gave voor onopmerkzaamheid. Mijn winden in bed rook ze niet, laat staan het feit dat ik voortdurend bezig was met mijn zelfportret.

Ik begon te werken aan de achtergrond. Met een vader die vaak gelijk heeft kom je er niet. Voor het eerst in al die jaren bezocht ik zijn graf en staarde ik net zolang naar de grijze steen tot mijn ogen geïrriteerd raakten en een traan op mijn wang door de wind koud werd geblazen. Daarna ging ik naar wat over was van mijn moeder. Haar vragende blikken negerend haalde ik de grote, oude doos met fotoalbums onder uit een kast en gaf ik haar een extreem dik exemplaar aan. Met haar trillende handen wees ze ooms en tantes aan, neven en nichten en zelfs een van ingedroogd vocht verkrulde foto van mijn broertje, die na twee zinloze dagen als zuigeling gestorven was.
“Vanwaar ineens die interesse?” We hadden al drie boeken doorgewerkt en zij had erop gestaan te pauzeren om thee te drinken. Haar stem volgde de bibbering van haar handen.
“Je moet toch een achtergrond hebben,” verklaarde ik en dat stemde haar kennelijk mild. De nog halfvolle kop thee koelde genadeloos af terwijl we het vierde en laatste boek doorbladerden. Een vakantie in Frankrijk, met mij als kleuter, compleet kleurloos en met de nog onbuigzame veerkracht van een nieuwe vaatdoek. Mijn ouders merkten het niet zo te zien. Om en om lachen ze me vanuit het verleden breeduit toe, altijd een hand op mijn schouder of mijn billen op hun arm. Ze zijn aardekleurige, karmijnen en violette vegen, met hier en daar een zweem ultramarijn in een uitloper aan de randen. Door zorgvuldig geplaatste zwarte spikkeltjes zijn de onvermijdelijke trauma’s en teleurstellingen in perspectief te zien.

De eerste streken waarmee ik me inkleurde lagen er te dik bovenop. Te vaak omhelsde ik mensen waar een hand geven passender was geweest, of ik lachte om moppen nog voordat de clou verteld was. Mijn vriendin dacht dat het naïeve vriendelijkheid was die me daartoe dreef, maar ik wist wel beter. Geduldig en voorzichtig smeerde ik de verf een beetje uit, de lijnen van de opzet volgend. Toen ik een stapje terug deed om het resultaat te bekijken leek het heel aardig te worden. Mijn vriendin nam me mee naar de verjaardag van een collega en ik gedroeg me net als de andere gasten. Ik stelde de juiste vragen en lachte niet te hard en niet te zacht om ondeugend gefluisterde grapjes. Twee weken later bleek ik heuse kennissen te hebben gekregen. Of bekenden, het verschil is me nooit duidelijk geworden. Vriendschap was het in elk geval niet; dat concept van energievretende tijdvulling zonder doel is altijd ongrijpbaar gebleven. Achteraf denk ik dat een jongen uit mijn studiegroep wel geprobeerd heeft me van wat dichterbij te bekijken. Hij was vaal aquarel en maakte er een gewoonte van tijdens de pauzes aan mijn tafel te gaan zitten, waar hij meegebrachte boterhammen met worst en mosterd met slobberende geluiden naar binnen werkte. Ik oefende op hem, besprak het gedrag van de professoren met cadmium oranje stem of mijmerde over de beginselen van de ethiek. Hij merkte niet hoe kitsch ik was.
Op een middag kwam hij met een wel heel grote grijns tegenover me zitten. Het leek of zijn kleuren waren opgehaald en de witte ondergrond zich had teruggetrokken.
“Ik ben verliefd,” zei hij, zonder enige inleiding. “Morgen geeft ze een feestje, want ze wil in één keer al mijn vrienden leren kennen. Dus jij bent ook uitgenodigd.”
Het was natuurlijk de bedoeling dat ik instemmend antwoordde, misschien zelfs een felicitatie uitte, maar ik was nog niet zo ver. Die eerste kleuren bleken eigenlijk alleen geschikt als gevulde opzet, die de nog altijd lichtgrijze gloed van de vaatdoek moest onderdrukken en het geheel van meer diepte voorzag. Sindsdien kwam hij nooit meer bij me aan tafel zitten.

Een tweede laag kleur ging beter. Ik gaf me zelfverzekerde kaken en de ogen van mannen die in films het romantische type spelen. Hun gebaren en woorden werden zo vaak door mij geïmiteerd dat ze vanzelf een tweede natuur werden en voor elke situatie waarin gevoelige mannen terecht kunnen komen leerde ik de meest geschikte emoties uit mijn hoofd. “Fijn,” had ik destijds moeten antwoorden, begreep ik, toen een breedgeschouderde televisiester met lakens kuis over zijn uitgewerkte, uitgeperste kruis zich naar een tot aan de oksels ondergestopte vrouw boog. Dus zo moest dat.

Negen maanden geleden was het tijd voor de laatste details. Ik retoucheerde eerdere foutjes, bracht wat accenten aan en zette witte puntjes in de ogen, zodat ze de stralend witte tanden weerspiegelden van de rode bruid, die net had ontdekt dat ze zwanger was.
In de schaduw van mijn hals waren wat craquelures ontstaan, die ik wegwerkte met zwart en donkerrood. Het geheel is geen onaardig resultaat, al blijft het natuurlijk het product van een ongeoefende hand zonder creativiteit of talent. Ik heb geduldig gedoogd en gedroogd, de ruimte niet te licht en niet te donker, de ochtendmisselijkheid met afgewend hoofd en een Oost-Indisch oor doorstaan. Het is een jongetje en ik ben af.
Deze laag vernis moet oppervlaktevervuiling zo lang mogelijk tegengaan, maar zal me ook doen vergelen. Tegen die tijd zal ik vergeten zijn, niet meer dan een glansloze herinnering met vormen die vaag aan een vaatdoek doen denken. Als mijn zoon dan nog weet hoe helder ik hem voor ogen stond toen hij een baby was, hangend in zijn kamertje, zal hij me misschien willen laten restaureren.



Gepubliceerd in Cultureel en literair tijdschrift Schoon Schip